Het allerkleinste vol in beeld
Officieel spreek je pas van een macrofoto als het onderwerp op ware grootte op de beeldsensor wordt afgebeeld. Deze verhouding van 1:1 noemen we de afbeeldingsmaatstaf. Het onderwerp wordt dan vergroot noch verkleind. Met een verhouding van 1:2 is het sensorbeeld slechts de helft van het origineel en spreken we eerder van een close-up. Groter maken dan in werkelijkheid kan ook. Met een verhouding als 2:1 of hoger kun je minieme details echt enorm opblazen. Maar hoe maak je nou de beste macrofoto en wat heb je daarvoor nodig?
Compositie
Een rustig beeld is bij macrofotografie erg belangrijk. Een
geliefd compositiehulpmiddel daarbij is de regel van derden. Door het
hoofdonderwerp op één van de vier snijpunten van deze lijnen te plaatsen, krijg
je een sterke compositie die de blik van de kijker zogezegd de juiste kant op
stuurt.
Wanneer je een insect fotografeert, is het bijvoorbeeld verstandig om het
beestje wat extra ruimte te geven in de richting waarin het staat of kijkt. Zet
je onderwerp bij voorkeur liever niet pal in het midden van het beeld. Door het
onderwerp uit het midden te plaatsen, maak je de compositie een stuk
spannender.

Laat ook de omgeving meespelen. Een foto van een spin wordt veel interessanter als je het web eveneens op de foto hebt. Houd hierbij ook de achtergrond in het oog. Vermijd storende lijnen door het onderwerp. Denk bijvoorbeeld aan een onscherpe, maar contrastrijke overgang tussen een struik en de lucht.
Iso, diafragma en sluitertijd
Hoe hoger de diafragmawaarde, des te groter de scherptediepte. Een lage waarde als F 2,8 zorgt er bijvoorbeeld voor dat bij een insect alleen de facetogen scherp worden weergegeven. Of dat bij een regendruppel alleen de reflectie in de druppel scherp is en de rest wazig. Hierdoor trekt het scherpe hoofdonderwerp extra de aandacht.
Een hoge diafragmawaarde betekent een kleine lensopening, die maar weinig licht doorlaat. Om toch een correct belichte foto te krijgen, moet je ofwel de belichtingstijd verlengen, ofwel de lichtgevoeligheid van de sensor (iso-waarde) verhogen. Een langere belichtingstijd geeft meer kans op bewegings- en trillingsonscherpte. Op het eerste gezicht lijkt het verhogen van de iso-waarde dus de aantrekkelijkste optie. Maar juist bij macrofotografie is het aan te raden deze zo laag mogelijk te houden, omdat een hogere iso ruis oplevert die al snel opvalt.
Scherpstellen
Bij macrofotografie kun je vaak het beste met de hand scherpstellen. Dat gaat het soepelst door ongeveer op het onderwerp scherp te stellen, en te finetunen door de camera naar voor of naar achter te bewegen. Als je onderwerp niet beweegt, kan de autofocus wel van nut zijn. Je hebt dan rustig de tijd om het goede scherpstelpunt te kiezen. Je kunt natuurlijk ook eerst automatisch scherpstellen en dan met de hand bijregelen. Vooral het gebruik van live view is hierbij erg handig.

Statief
Het moeilijke van macrofotografie is dat je bij de minste geringste beweging van de camera al last hebt van bewegingsonscherpte. Doordat je maar een hele kleine oppervlakte fotografeert, worden zelfs minimale bewegingen enorm versterkt doorgegeven. Dat is op te lossen door een statief te gebruiken. Maar omdat veel macro-onderwerpen zich laag bij de grond of op de grond bevinden, zijn niet alle statieven geschikt. De meeste statieven hebben namelijk een minimale hoogte van 50 cm, veel te hoog voor macrofotografie.
Flitsen en flitsers
Flitsen geeft je diverse mogelijkheden om de verlichting te verbeteren. Ook kun je met een flits de kleurverzadiging en het gevoel van diepte versterken. Een flitser kun je bij macrofotografie op twee manieren inzetten: als invulflits en als hoofdlichtbron.
De invulflits gebruik je om donkere partijen en schaduwen in
te vullen met flitslicht. Daarmee verklein je het lichtcontrast. Het beeld oogt
prettiger en er worden meer details in de schaduw zichtbaar.
De flitser als hoofdlichtbron heeft het voordeel dat je niet meer afhankelijk
bent van de intensiteit van het daglicht. Bovendien voorkom je door de korte
flitstijd bewegingsonscherpte. Nadeel is dat het vrij harde flitslicht
ongewenste schaduwen oplevert. Bij sommige insecten of planten kunnen
vervelende glimplekken ontstaan. Om flitslicht te verzachten, zijn er allerlei
diffusors te koop, van ballonnetjes tot softboxen.
Omdat bij macrofotografie de afstand tussen lens en onderwerp vaak enkele centimeters bedraagt, kun je het beste een of meer losse flitsers inzetten. Deze kun je via een snoer of draadloos aansturen. De inbouwflitser of opzetflitser flitst namelijk bij korte afstanden over het onderwerp heen, als het licht al niet grotendeels geblokkeerd wordt door de lens of de zonnekap.
Maar soms zit je zo dicht met het objectief op je onderwerp dat flitsen onmogelijk is. Dat kun je oplossen met een ringflitser, die je aan de voorkant van de lens monteert. Als je de diverse flitsbuisjes in zo’n ringflitser allemaal tegelijk laat flitsen, ontstaat er een schaduwloze uitlichting.
Nabewerking
Wil je iemand echt versteld laten staan van je macrofoto, dan bewerk je een goede opname vanzelfsprekend nog na voor de puntjes op de i. Wat meer contrast, stofjes wegpoetsen en wat extra felle kleuren. De allerlaatste stap in de nabewerking is de verscherping van het beeld. Bij macrofotografie is dit wellicht nog belangrijker dan normaal, want bij macrofotografen staat een perfecte scherpte namelijk hoog in het vaandel.

Wil je nog meer leren over Macrofotografie, bekijk dan onze cursus Macrofotografie.
Tips
- Als je een insect op de foto zet, is het verstandig op de ogen scherp te stellen, net zoals je bij een menselijk model zou doen.
- Probeer op ooghoogte met je onderwerp te komen.
- Kies een zo laag mogelijke iso-waarde (200 of lager).
- Stel het diafragma bewust in. Meestal kom je op een diafragmawaarde van F11 of hoger uit.
- Let ook op je sluitertijd: 1/10 of sneller is aan te raden om bewegings- of trillingsonscherpte te voorkomen.
- Vroeg in de ochtend is het veelal nog koud. Insecten zijn dan vaak traag en gunnen je rustig de tijd om ze vast te leggen

