Een goed portret laat niet alleen zien hoe iemand eruitziet. De blik, houding, compositie en het licht vertellen iets over de persoon voor je camera. Dat maakt portretfotografie tegelijkertijd zo interessant en uitdagend. Je kunt technisch alles perfect instellen en toch thuiskomen met een foto die weinig zegt. Hoe zorg je ervoor dat een portret wél blijft hangen? Met deze vijf tips combineer je techniek met het belangrijkste onderdeel van portretfotografie: de persoon voor je lens.
1. Bepaal eerst wat je wilt laten zien
Voordat je nadenkt over diafragma's, brandpuntsafstanden of flitsers, is er een belangrijkere vraag: wat wil je met dit portret over iemand vertellen? Een portret van een muzikant mag bijvoorbeeld iets van zijn of haar omgeving laten zien. Bij een karakterportret van een ouder persoon kunnen handen, huidstructuur en een krachtige blik juist belangrijk zijn. Voor een zacht en persoonlijk portret kies je misschien voor rustig licht en een eenvoudige achtergrond. Maak die keuze voordat je begint. Vervolgens kun je licht, locatie, kleding en compositie daarop afstemmen.
Dat betekent ook dat je niet automatisch ieder portret met een groot diafragma hoeft te fotograferen. Wil je de omgeving onderdeel maken van het verhaal, dan kan F 5,6 of F 8 juist interessant zijn. Wil je alle aandacht naar het gezicht trekken en de achtergrond rustig houden, dan ligt een groter diafragma meer voor de hand.
Een 50mm- of 85mm-objectief is een fijn uitgangspunt voor veel portretten. Met een langere brandpuntsafstand kun je de achtergrond gemakkelijker rustig houden. Een groothoek kan juist interessant zijn voor een omgevingsportret, maar wees voorzichtig wanneer je erg dichtbij fotografeert. Perspectief kan gezichtskenmerken dan sterk benadrukken.

2. Kijk eerst naar het licht en daarna pas naar de locatie
Een mooie achtergrond is prettig, maar licht bepaalt voor een groot deel hoe een gezicht eruitziet. Let daarom bij aankomst eerst op de richting, zachtheid en intensiteit van het licht. Een eenvoudige manier om dit te oefenen is met natuurlijk raamlicht. Zet je model niet recht voor het raam, maar bijvoorbeeld iets schuin ernaast. Het licht valt dan vanaf één kant over het gezicht. De andere kant wordt donkerder, waardoor het gezicht meer vorm krijgt. Precies hetzelfde principe kun je buiten gebruiken. Op een bewolkte dag is het licht zacht en gelijkmatig. Bij fel zonlicht kun je juist een plek in de open schaduw zoeken. Let er daarbij op dat er voldoende licht vanuit één richting op het gezicht blijft vallen. Midden onder een dicht bladerdak kan het licht bijvoorbeeld groenig en vlak worden.
Schaduw is daarbij niet iets wat je per definitie moet voorkomen. Schaduw geeft een gezicht vorm. Zijlicht kan jukbeenderen, neus en huidstructuur benadrukken en daarmee uitstekend werken voor een krachtig karakterportret. Voor een zachter resultaat kun je een reflectiescherm gebruiken om de schaduwzijde iets op te lichten. Heb je geen reflectiescherm bij je, dan kan een lichte muur in de omgeving hetzelfde effect geven. Let vooral op de ogen. Een klein lichtpuntje in de ogen, de zogenaamde catchlight, kan een portret direct levendiger maken.
3. Laat de compositie samenwerken met de blik
Bij een portret gaat de aandacht meestal als eerste naar het gezicht en vervolgens naar de ogen. Gebruik je compositie om die aandacht te ondersteunen. Je model hoeft daarvoor helemaal niet altijd midden in beeld te staan. Plaats iemand eens links of rechts en laat ruimte over in de richting waarin diegene kijkt. Dat geeft de blik letterlijk ruimte.
Experimenteer daarnaast met hoe dicht je op je model kruipt. Een portret waarbij hoofd en schouders zichtbaar zijn vertelt iets anders dan een extreme close-up. En een persoon klein in beeld kan juist heel sterk zijn wanneer de omgeving onderdeel van het verhaal is. Let bij het kadreren ook goed op armen, handen en benen. Snijd niet gedachteloos precies bij gewrichten af. Kijk daarnaast naar de randen van je beeld. Een halve hand, storend verkeersbord of lichte vlek op de achtergrond kan veel aandacht opeisen. En vergeet de handen niet. Handen kunnen enorm veel vertellen. Iemand kan een hand tegen het gezicht houden, zijn jas vasthouden of juist ontspannen beide handen laten hangen. Laat de houding aansluiten bij de persoon in plaats van iedere geportretteerde dezelfde standaardpose te geven.

4. Geef geen poses, maar duidelijke aanwijzingen
Voor veel mensen is voor een camera staan ongemakkelijk. Zodra je zegt: 'ga maar gewoon natuurlijk staan', gebeurt vaak precies het tegenovergestelde. Armen worden stijf, schouders trekken omhoog en iemand weet ineens niet meer waar hij moet kijken. Als fotograaf moet je daarom blijven communiceren. Geef kleine en concrete aanwijzingen. Vraag iemand bijvoorbeeld zijn lichaam iets weg te draaien en vervolgens met het gezicht terug naar de camera te komen. Of laat je model naar je hand kijken en beweeg die langzaam totdat je de gewenste positie van het hoofd hebt gevonden.
Nog beter is het soms om beweging uit te lokken in plaats van een houding te bouwen. Laat iemand een paar stappen lopen, wegkijken en weer terugkijken, een jas aantrekken of even met de handen bewegen. Fotografeer ondertussen door. Zo ontstaan vaak houdingen die veel natuurlijker ogen dan een zorgvuldig geconstrueerde pose. Blijf ondertussen praten. Vertel wat goed werkt en laat weten wanneer je van standpunt of afstand verandert. Stil achter je camera instellingen aanpassen terwijl je model staat te wachten, kan onzekerheid veroorzaken.
Kijk ook goed naar hoe iemand van nature beweegt. Gebruikt iemand tijdens een gesprek veel zijn handen? Laat die handen dan terugkomen in het portret. Heeft iemand een kenmerkende manier van kijken of lachen? Probeer die niet weg te regisseren. Juist zulke eigenschappen kunnen het portret persoonlijk maken.

5. Stel scherp op de ogen en kies je instellingen bewust
Bij een portret waarbij het gezicht duidelijk zichtbaar is, wil je doorgaans dat het dichtstbijzijnde oog scherp is. Moderne oogdetectie kan daarbij veel werk uit handen nemen, maar controleer altijd of de camera daadwerkelijk het juiste oog volgt. Werk je met een zeer groot diafragma, bijvoorbeeld F 1,4 of F 1,8, dan is de scherptediepte van dichtbij erg klein. Het ene oog kan dan scherp zijn terwijl het andere al onscherp wordt. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang het een bewuste keuze is. Wil je beide ogen scherp hebben, probeer ze dan ongeveer op dezelfde afstand van de camera te houden of diafragmeer iets verder naar bijvoorbeeld F 2,8 of F 4.
Houd ook je sluitertijd in de gaten. Een persoon staat nooit volledig stil. Zelfs bij een rustig portret kunnen kleine bewegingen voor onscherpte zorgen. Rond 1/250 seconde is een prettig uitgangspunt voor een portret uit de hand. Bij beweging ga je sneller. Verhoog je iso wanneer dat nodig is; een beetje ruis is gemakkelijker te corrigeren dan bewegingsonscherpte.
Fotografeer daarnaast niet eindeloos in een hoge burststand. Een sprekend portret ontstaat vaak juist door goed te kijken en op het juiste moment af te drukken. Maak wel voldoende variaties. Een minimale verandering in blik, mond of houding kan het verschil maken tussen een aardig en een sterk portret.
Het beste portret ontstaat tussen de foto's door
Een laatste tip is misschien wel de belangrijkste: houd je model in de gaten wanneer je denkt dat je even niet fotografeert. Na een serie geposeerde beelden ontspant iemand vaak. De schouders zakken, de blik verandert of er verschijnt ineens een echte glimlach. Juist dat tussenmoment kan de foto zijn waarnaar je op zoek was.

