Auto-ISO klinkt misschien als een functie voor fotografen die hun camera liever zelf de instellingen laten bepalen. Toch is het tegenovergestelde vaak waar. Juist als je precies weet welke sluitertijd en welk diafragma je nodig hebt, kan Auto-ISO enorm handig zijn. Je laat de camera dan alleen de gevoeligheid aanpassen aan het veranderende licht.
Dat is ideaal bij onderwerpen waarbij je snel moet reageren. Denk aan vogels, sport, straatfotografie of spelende kinderen. In plaats van voortdurend je iso aan te passen zodra een wolk voor de zon schuift, kun jij je concentreren op scherpstelling, timing en compositie.
Wat doet Auto-ISO precies?
Normaal kies je zelf een iso-waarde. Op een zonnige dag begin je bijvoorbeeld bij iso 100. Wordt het donkerder, dan verhoog je de iso om met dezelfde sluitertijd en hetzelfde diafragma te kunnen blijven fotograferen. Auto-ISO automatiseert precies die laatste stap. De camera kijkt hoeveel licht er beschikbaar is en verhoogt of verlaagt de iso wanneer dat nodig is.
Dat betekent niet dat je alle controle uit handen geeft. Op moderne camera's kun je Auto-ISO vaak behoorlijk nauwkeurig begrenzen. Zo kun je bijvoorbeeld aangeven dat de camera nooit boven iso 6400 mag gaan. Afhankelijk van je camera kun je daarnaast een minimale sluitertijd instellen. Bij sommige modellen kan die minimale sluitertijd zelfs automatisch worden aangepast aan de gebruikte brandpuntsafstand. Je vertelt de camera dus eigenlijk: dit zijn mijn grenzen, regel jij binnen die grenzen de belichting.

Auto-ISO in de A- of Av-stand
Een handige combinatie is Auto-ISO met diafragmavoorkeuze, afhankelijk van het cameramerk aangeduid als A of Av. Stel dat je een portret maakt met een 85mm-objectief. Je kiest F 2,8 omdat je een zachte achtergrond wilt. De camera bepaalt vervolgens de sluitertijd en Auto-ISO past waar nodig de gevoeligheid aan.
Hier zit wel een aandachtspunt. De camera weet niet altijd welke sluitertijd jij nodig hebt om beweging te bevriezen. Een sluitertijd van 1/100 seconde kan prima zijn voor een stilstaand model, maar veel te lang voor iemand die rent. Daarom is de instelling voor de minimale sluitertijd zo interessant. Kun je bijvoorbeeld aangeven dat de sluitertijd niet onder 1/500 seconde mag komen, dan zal de camera bij minder licht eerst de iso verhogen in plaats van de sluitertijd steeds langer te maken. Dat is vooral bij straat-, natuur- en actiefotografie erg handig.
Houd rekening met je brandpuntsafstand
Welke sluitertijd je minimaal nodig hebt, hangt niet alleen af van je onderwerp. Ook je brandpuntsafstand speelt mee. Fotografeer je met een groothoekobjectief op 24 mm, dan kun je een stilstaand onderwerp uit de hand vaak met een behoorlijk lange sluitertijd fotograferen. Met een 400mm-teleobjectief wordt iedere kleine camerabeweging veel zichtbaarder. De bekende vuistregel is dat je uit de hand ongeveer een sluitertijd gebruikt van minimaal:
1 / brandpuntsafstand
Bij 200 mm kom je dan bijvoorbeeld uit op ongeveer 1/200 seconde. Bij camera's met zeer hoge resoluties, bewegende onderwerpen en lange teleobjectieven kan een kortere sluitertijd verstandig zijn. Beeldstabilisatie kan camerabeweging gedeeltelijk compenseren, maar onthoud één belangrijk verschil: stabilisatie helpt tegen jouw beweging, niet tegen de beweging van het onderwerp.
Een vogel die plotseling wegvliegt, wordt niet scherper omdat je objectief vijf stops stabilisatie heeft. Sommige moderne camera's kunnen de minimale sluitertijd bij Auto-ISO automatisch koppelen aan de gebruikte brandpuntsafstand. Zoom je van 100 naar 400 mm, dan kan de camera dus automatisch een kortere minimale sluitertijd gaan gebruiken.

De krachtigste combinatie: M-stand met Auto-ISO
Misschien wel de interessantste toepassing is Auto-ISO in combinatie met de handmatige M-stand. Dat klinkt tegenstrijdig. Waarom zou je de handmatige stand gebruiken en vervolgens de camera automatisch de iso laten bepalen? Omdat je hiermee controle krijgt over de twee instellingen die het uiterlijk van bewegende onderwerpen het sterkst bepalen: sluitertijd en diafragma.
Stel dat je vogels in vlucht fotografeert. Je weet vooraf dat je ongeveer 1/2000 seconde wilt gebruiken om de beweging te bevriezen. Tegelijkertijd wil je bijvoorbeeld met F 6,3 fotograferen. Stel beide waarden handmatig in en zet vervolgens Auto-ISO aan. De camera past nu alleen de iso aan om tot een correcte belichting te komen. Vliegt de vogel voor een lichte lucht? Dan kan de iso omlaag. Duikt dezelfde vogel een seconde later voor een donkere bosrand langs? Dan gaat de iso automatisch omhoog. Jouw sluitertijd blijft 1/2000 seconde en je diafragma blijft F 6,3. Je hoeft dus niet midden in de actie aan je instellingen te draaien. Precies daarom is M + Auto-ISO zo'n krachtige combinatie voor sport- en natuurfotografie.
Stel een maximale iso in
Auto-ISO wordt nog bruikbaarder wanneer je de camera grenzen geeft. Bij veel camera's kun je een maximale iso-waarde instellen.
Welke waarde verstandig is, hangt sterk af van je camera en van wat je met de foto wilt doen. Maak daarom eens een simpele test. Fotografeer hetzelfde onderwerp achtereenvolgens op iso 800, 1600, 3200, 6400 en eventueel hoger. Bekijk de bestanden vervolgens op je normale manier en bepaal zelf tot welke waarde jij de beeldkwaliteit acceptabel vindt. Stel die waarde vervolgens als maximum voor Auto-ISO in. Wees daarbij niet té voorzichtig. Een veelgemaakte fout is dat fotografen koste wat kost een lage iso willen gebruiken. Daardoor wordt de sluitertijd langer en ontstaat bewegingsonscherpte. Een scherpe foto op iso 6400 is vaak veel bruikbaarder dan een bewogen foto op iso 400.
Moderne ruisreductie in nabewerkingssoftware kan bovendien behoorlijk veel ruis verminderen. Bewegingsonscherpte van een verkeerd gekozen sluitertijd kun je veel moeilijker herstellen.
Auto-ISO bij straatfotografie
Ook voor straatfotografie is Auto-ISO handig. Tijdens een wandeling veranderen de lichtomstandigheden voortdurend. Het ene moment loop je in de volle zon, daarna een smalle straat in de schaduw in en vervolgens stap je een gebouw binnen. Juist dan wil je niet voortdurend met je iso bezig zijn.
Je kunt bijvoorbeeld werken in de A-stand met F 5,6 en een minimale sluitertijd van 1/250 seconde. De camera houdt de iso zo laag mogelijk, maar verhoogt hem zodra er onvoldoende licht is om die sluitertijd vast te houden. Wil je nog meer controle, dan kun je ook hier M + Auto-ISO gebruiken. Kies bijvoorbeeld 1/500 seconde wanneer je lopende mensen scherp wilt vastleggen en stel zelf het gewenste diafragma in. Je hoeft vervolgens alleen nog maar te kijken, scherp te stellen en op het juiste moment af te drukken.

Wanneer kun je Auto-ISO beter uitzetten?
Auto-ISO is niet in iedere situatie nodig. Fotografeer je een landschap vanaf statief, dan beweegt je onderwerp meestal niet en mag je sluitertijd gerust langer worden. In dat geval kun je vaak beter zelf iso 100 of de laagste normale iso-waarde van je camera instellen. Je hebt dan geen reden om de iso automatisch te laten oplopen.
Hetzelfde geldt voor studiowerk. Daar heb je volledige controle over het licht en verandert de belichting nauwelijks. Een vaste iso is dan voorspelbaarder. Ook bij lange sluitertijden, nachtfotografie en andere situaties waarin je heel bewust een bepaalde belichting opbouwt, ligt een handmatig gekozen iso meer voor de hand.
Auto-ISO komt vooral tot zijn recht wanneer het licht verandert terwijl jij snel moet blijven fotograferen.

Geef de camera een taak, niet de controle
Automatische functies zijn niet per definitie bedoeld om minder over fotografie na te denken. Je kunt ze juist inzetten om de camera één voorspelbare taak te geven. Dat is precies de kracht van Auto-ISO. Jij bepaalt welke sluitertijd nodig is om beweging te bevriezen. Jij bepaalt welk diafragma de gewenste scherptediepte geeft. Vervolgens mag de camera binnen de grenzen die jij hebt ingesteld de iso aanpassen aan het beschikbare licht.
Probeer daarom tijdens je volgende wandeling, sportwedstrijd of ochtend vogelfotografie eens M + Auto-ISO. Stel vooraf je minimale en maximale grenzen in en kijk vervolgens hoeveel minder je tijdens het fotograferen met de belichting bezig hoeft te zijn. De techniek verdwijnt daarmee een beetje naar de achtergrond. En dat geeft jou juist meer tijd voor het belangrijkste: zien wanneer de foto gebeurt.

