in

Lange sluitertijden overdag: breng je beelden in beweging

Standaard kiest een camera een redelijk snelle sluitertijd. Want meestal wil je het onderwerp haarscherp op de foto. Je kunt ook ervoor kiezen om alles wat beweegt te laten vervagen. Zo krijg je indrukwekkende foto’s van een wereld die we zelf niet kunnen zien.

Je hebt ze vast wel eens gezien. Prachtige architectuurfoto’s waarop sierlijke slierten voortjagende wolken te zien zijn. Of natuurfoto’s waarop een waterval of riviertje in een zijdezachte stroom is veranderd. Dit soort foto’s maak je door overdag lange sluitertijden te gebruiken. Want als je maar lang genoeg belicht, vervaagt alles wat in beweging is. Zelfs bij een wat minder snelle beweging die bij een vluchtige blik misschien niet eens opvalt. Om bewegingen te laten vervagen, hoef je alleen maar een lange sluitertijd te kiezen. Klinkt eenvoudig, toch?

Sluitertijd vertragen

Er zit alleen wel een addertje onder het gras. Want hoe krijg je overdag lange belichtingstijden? Aan licht is er dan namelijk geen gebrek. De belichting bepaal je met drie instellingen: diafragma, sluitertijd en iso-waarde. Voor een zo lang mogelijke sluitertijd kies je de kleinste lensopening (een hoog diafragmagetal zoals F 22) en de laagste iso-waarde. Dan vangt de beeldsensor een minimale hoeveelheid licht op, waardoor er automatisch een lange(re) sluitertijd gekozen wordt om de belichting kloppend te maken. Helaas heb je overdag dan nog steeds met belichtingstijden te maken waarmee je niet die spectaculaire bewegingsfoto’s maakt. Want voor de bewegingsvervaging waar we het hier over hebben, moet je echt in de richting van dertig seconden en (veel) langer denken.

Big stopper

We hebben het dus over de belichtingstijden die we van avond- en nachtfotografie kennen. Alleen, hoe doe je dat, want we fotograferen bij daglicht en niet in het donker. De oplossing is eigenlijk best eenvoudig. We hoeven de camera alleen maar voor de gek te houden. Door het toestel te laten denken dat het veel donkerder is dan het in werkelijkheid is. Dat doe je door een grijsfilter voor de lens te houden. Een grijsfilter houdt een bepaalde hoeveelheid licht tegen die je uitdrukt in stops. Eén stop is een halvering van het licht, bij twee stops heb je nog maar een kwart over, dus dat schiet al aardig op. Favoriet bij nagenoeg alle fotografen die graag met lange belichtingen werken, is de ‘big stopper’. Dat is een grijsfilter waarmee je maar liefst tien stops licht tegenhoudt. Slechts een duizendste van het licht laat dit filter door. Dat lijkt niets en als je door het filter kijkt, zie je dan ook nagenoeg niets meer, maar je camera nog wel bij een lange belichting. Diverse merken brengen grijsfilters op de markt in allerlei sterktes. Big stoppers zoals de B+W ND110 en de Lee Big Stopper zijn erg populair onder fotografen. Een filter dat zes stops licht tegenhoudt is ook erg gewild en wordt ook wel eens een ‘little stopper’ genoemd.

Soorten grijsfilters

Iets om op te letten, is het soort filter. Een B+W-filter schroef je op de lens. Het vierkante Lee-filter plaats je in een houder die je vervolgens op de lens schroeft. Beide methoden hebben zo hun voor- en nadelen, het is dus vooral een persoonlijke voorkeur. Een rond opschroeffilter heeft als voordeel dat er geen licht tussen lens en filter kan komen. Zo voorkom je lichtlekkage die je foto’s volledig verpest. Ook kun je gewoon de zonnekap blijven gebruiken. Erg belangrijk, want elk spatje licht kan vervelende reflecties en lensflare veroorzaken. Je hebt wel een filter nodig met de juiste diameter, hij moet immers op de lens passen. Heb je lenzen met verschillende diameters, dan zijn verloopringen een uitkomst. Je koopt dan een filter met de grootste diameter en plaatst een verloopring als je een lens met een kleinere diameter gebruikt. Alleen past de zonnekap dan helaas niet meer.

Bij filters die je in een houder schuift, speelt het probleem met de lensdiameter amper. De vierkante filters zijn groot, zoals 100×100 mm, ruim voldoende voor het gros van de objectieven. Je koopt eenmalig een houder en uiteraard het grijsfilter. Daarnaast heb je een adapterring nodig met de juiste diameter om het geheel op de lens te schroeven. Bij meerdere lenzen hoef je dus alleen maar wat extra (goedkope) ringen te kopen. Zo bespaar je enorm veel geld. Licht kan bij dit systeem wel wat makkelijker tussen de lens en het filter komen en zo de opname flink verpesten. Openingen moet je dus zorgvuldig afdekken. Vaak kun je los een plastic frame erbij kopen. Die schuif je over het filter in de houder en dient zo als zonnekap.

Scherpstellen

Welk type grijsfilter je ook gebruikt, het stelt je in staat om overdag aanzienlijk langer te belichten. Zelfs als je in het warme zonnetje staat. Klein probleempje. Dankzij de 1000x minder licht, zie je ineens niets meer door de optische zoeker. Gelukkig zijn camera’s tegenwoordig voorzien van live view. Schakel dat dus in en vergeet de zoeker. Zie je ook op het scherm weinig, weer het zonlicht dan met je hand of gebruik een accessoire als een HoodLoupe om het zonlicht volledig af te schermen. Werk je met een systeemcamera, dan kun je een digitale zoeker (EVF) wel weer goed gebruiken. Dat is immers een minischerm.

Uiteraard werk je vanaf statief, want we gaan heel lang belichten. Je kunt proberen of de camera automatisch scherpstelt, maar vanwege het weinige licht is de kans groot dat je dit met de hand moet doen. Schakel over op handbediening en draai aan de lensring tot het onderwerp netjes scherp is. In live view kun je doorgaans vijf of tien keer op het beeld inzoomen, wat scherpstellen een stuk makkelijker maakt. Zie je echt te weinig, stel dan eerst scherp en plaats daarna (heel voorzichtig) het filter op de lens.

Belichting

De lichtmeter in de camera kan vanwege het filter waarschijnlijk niet altijd meer automatisch belichten. Daarnaast moet je voorkomen dat de camera roet in het eten gooit. Die kan namelijk de iso-waarde enorm omhoog gooien en dan alsnog een snelle sluitertijd kiezen. De eenvoudigste methode om de belichting te bepalen, is door toch nog maar even het filter van de lens te laten. Schakel bij voorkeur over naar de Av-stand en kies een diafragmawaarde die de gewenste scherptediepte oplevert, bijvoorbeeld F 11. Stel vervolgens een lage iso-waarde in, zoals iso 100. Blijft de sluitertijd nog over, daar waar het allemaal om begonnen is. Omdat je in de Av-stand werkt, zal de camera een sluitertijd tonen zodra je de ontspanknop half indrukt. Dat is uiteraard wel de sluitertijd zonder filter. Het kan geen kwaad om meteen even een proefopname te maken. Is de foto niet helemaal naar smaak? Gebruik dan belichtingscompensatie om de belichting te verbeteren. Ziet de foto er wel goed uit? Onthoud dan de sluitertijd die de camera toont.

M- en B-stand

Omdat het filter in ons voorbeeld tien stops licht tegenhoudt, moet je de door de camera aangegeven sluitertijd tien keer halveren om de juiste belichtingstijd te krijgen mét filter. Voor sluitertijden tot maximaal dertig seconden schakel je nu van de Av-stand over naar de M-stand. Moet je langer belichten? Dan zul je bij de meeste camera’s de B-stand moeten gebruiken. In beide gevallen stel je eerst de door jou gekozen diafragmawaarde (F 11) en iso-waarde (iso 100) weer in. In de M-stand stel je ook de sluitertijd in. De B-stand kent geen sluitertijd, hier moet je de ontspanknop ingedrukt houden en zelf de seconden aftellen. Uiteraard druk je die knop niet echt in en gebruik je een afstandsbediening, want anders wordt de foto onscherp door trillingen. Op de betere afstandsbediening kun je een tijd instellen, zodat je niet zelf hoeft af te tellen. Gebruik in de M-stand liefst ook een afstandsbediening of anders de zelftimer, om trillingen bij de start van de opname te voorkomen.

Beweging zien
Techniek is belangrijk bij ‘long exposure’ fotografie, al is het eigenlijk vooral een kwestie van een paar keer doen om er even aan te wennen. Nog belangrijker dan de techniek is kijken. Om mooie ‘bewogen’ foto’s te maken, moet je bewegingen leren herkennen. Voordat je afdrukt, weet je al hoe het resultaat er ongeveer uit zal zien. Ook dat is behoorlijk goed aan te leren. Begin met te letten op alles wat beweegt. Snel, maar ook langzaam. Let daarnaast ook op alles wat stilstaat. Het eerste zal namelijk in een bepaalde mate vervagen, terwijl het tweede scherp op de foto komt. Dat geeft een mooi effect en zorgt voor contrast. Wolken, rook en water worden bijvoorbeeld streperig, terwijl een brug, fabriek en kantoorgebouw haarscherp afgebeeld worden. Snelheid is ook nog eens relatief. Van dichtbij lijken wolken veel sneller te bewegen dan in de verte. Dus door extra veel in beeld te nemen met een groothoeklens, breng je meer dynamiek in de foto. Vooral als de wolken (schuin) naar je toe of van je af bewegen. Je krijgt dan een versterkt diepte-effect.

Kortere sluitertijden

Behalve wolken, rook en water, kun je ook verkeer laten vervagen of een stroom voorbijgangers of fietsers. Omdat je nu met snellere bewegingen te maken hebt, is het beter om minder lang te belichten. Want anders vervaagt alles zo veel dat je er helemaal niets van terugziet, hooguit wat spookachtige strepen en vlekken. Afhankelijk van de snelheid en de richting van de beweging kan een halve seconde, een seconde of een paar seconden al voldoende zijn. Experimenteer vooral veel met verschillende sluitertijden tot je de mooiste effecten krijgt. Alles hangt af van hoe je de beweging op de foto wilt krijgen. Sterk vervaagd en amper herkenbaar of juist een klein beetje vervaagd en dus nog aardig goed herkenbaar? Voor deze kortere tijden heb je niet per se een big stopper nodig. Een grijsfilter dat minder stops licht tegenhoudt, volstaat ook. Vandaar dat het geen kwaad kan grijsfilters in verschillende sterktes te kopen.

Meetrekken

Een heel andere manier om bewegingen vast te leggen, is het meetrekken met een bewegend onderwerp. Hier heb je helemaal geen grijsfilters voor nodig. Gewoon een iets langzamere sluitertijd volstaat al. Een auto, wielrenner of scooter die voorbij raast, of een kind dat vanaf een glijbaan suist; je kunt het mooi vastleggen met een sluitertijd van bijvoorbeeld 1/30 of 1/10. Je kiest een kleinere lensopening en een lagere iso-waarde om de sluitertijd te vertragen. Een ‘licht’ grijsfilter kan helpen bij al te lichte omstandigheden.

Van belang is vooral dat je de camera vloeiend met je onderwerp meetrekt. Dat betekent dat je afdrukt zonder de beweging te onderbreken of zonder ook maar de geringste hapering. Alleen op die manier komt het onderwerp (nagenoeg) scherp op de foto, terwijl de achtergrond vervaagt door de bewegende camera. Deze techniek is best lastig uit te voeren. Veel oefenen is de beste manier om het te leren.

Flitsen met effect

Lange sluitertijden kun je ook perfect gebruiken voor creatieve flitsfoto’s op bijvoorbeeld feestjes. Bij een gewone flitsfoto vuurt jouw camera een enorme stoot licht af. Het onderwerp wordt hierdoor (hopelijk) in het zonnetje gezet, alleen blijft de achtergrond vaak erg donker omdat daar geen flitslicht komt. Hier kun je verandering in brengen door de flitsstand ‘slow sync’ in te schakelen. Als jouw camera die niet heeft, schakel je gewoon over naar de Tv-stand en kies je een langzame sluitertijd. Bijvoorbeeld 1/30, 1/10 of desnoods een halve seconde of nog langzamer. Wat nu gebeurt, is dat de camera flitst en dat de opname nog een tijdje doorloopt. Hierdoor wordt er ook veel omgevingslicht opgevangen, zodat de achtergrond niet langer donker is. Mocht de foto overbelicht raken omdat de omgeving niet donker genoeg is, kies dan een wat snellere sluitertijd. Een extra effect van de langzame sluitertijd is dat je de achtergrond kunt vervagen door expres met de camera te bewegen. Dankzij de korte flits komt alleen het hoofdonderwerp goed scherp op de foto, waarbij als extraatje een creatief nabeeld ontstaat door de lange sluitertijd.


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Lightshaping bij studiofotografie

De basis van Lightroom: alles wat je moet weten over het standaard-paneel