in

Expertcursus natuurfotografie – Lokroep van de natuur

Natuurfotografie is populair. En met reden. In de frisse buitenlucht op zoek gaan naar mooie foto’s geeft een gevoel van vrijheid en is spannend en gezond. Na de eerste sessie ben je waarschijnlijk verslaafd! Wij geven je tips over wat je kunt fotograferen, hoe je dat doet en wat je daarvoor nodig hebt.

Natuurfotografie is een veelzijdige vorm van fotografie. Je kunt zoogdieren, vogels of insecten fotograferen, maar ook landschappen, planten en zelfs weerpatronen. In deze cursus kijken we naar dieren-, macro- en landschapsfotografie. Specialismen met een overlap, maar ook met hun eigen specifieke apparatuur-eisen en benadering.

Waar is het wild

Het lijkt zo simpel als je naar de meesterwerken van topfotografen kijkt. Een schattig vossenjong in de duinen, een ree in een weiland, een ijsvogel boven een beekje of een knallende zonsondergang boven een rivierenlandschap. Maar waar vind je dat wild? En hoe benader je het? Hoe weet je wanneer de zonsondergang bloedrood wordt en op welke plek in het landschap moet je dan staan? Hoewel je als fotograaf altijd tegen een lucky shot kunt aanlopen, vergroot je je succesratio enorm door zoveel mogelijk van je onderwerp af te weten. Of je nu vossen, ijsvogels, libellen, lieveheersbeestjes, wilde orchideeën of een fraai duinlandschap wilt fotograferen: een goede voorbereiding, natuurkennis en planning zijn absoluut essentieel. Dat geeft je focus en scheelt je (vruchteloos en tijdrovend) zoekwerk in het veld naar de juiste modellen of de beste locatie. Zoek vooraf op internet naar informatie over je onderwerp. Denk aan diverse natuurfotografiefora, Wikipedia, de collecties op Zoom.nl, Flickr, waarneming.nl, blogs en kalenders op de sites van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Praat met collega-fotografen. Informatie uitwisselen is lonend, vergroot je netwerk en maakt het fotograferen nog leuker. Houd een notitieboek of plakboek bij met situaties of locaties die je ooit nog eens wilt vastleggen. Zo heb je nooit gebrek aan inspiratie en word je gedwongen om na te denken over je aanpak. 

Foto: FotoHeLa

Afhankelijk van de diersoort of locatie die je wilt fotograferen, kun je het best zo dicht mogelijk bij huis beginnen. Zo’n ‘locatie om de hoek’ biedt namelijk veel voordelen. Je kunt er snel naartoe als het licht fenomenaal is, je kent na verloop van tijd het leefpatroon van de dieren, je leert de beste fotolocaties kennen en weet uit welke richting het licht komt op een bepaald tijdstip. Door jouw locatie om de hoek regelmatig te bezoeken leer je het ritme van die plek kennen en kun je je fotosessies gericht plannen. Zo’n locatie om de hoek kan je eigen tuin zijn (ideaal voor macro- en vogelfotografie), een stadspark (vogels en kleine zoogdieren) of een bos of natuurgebied in de buurt.

Veel wild leeft in de natuurgebieden van Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten. Deze dieren zijn gewend aan mensen, maar ze zijn niet tam. Vaak zijn ze zelfs nog behoorlijk schuw en lastig te benaderen. Bovendien zijn de gebieden alleen toegankelijk van zonsopkomst tot –ondergang, mag je niet van de paden af en is het verboden om je eigen schuiltentje op te zetten. Als fotograaf moet je dus extra je best doen en creatief zijn om bijzondere foto’s te kunnen maken. Uiteraard kun je in een permanente schuilhut wachten tot er iets interessants opduikt. Maar je deelt deze hutten met (soms heel veel) anderen en dat kan wat luidruchtig en krap zijn. Bovendien ben je niet mobiel als er urenlang niets gebeurt. Rondlopen over de paden is een optie, maar vereist geluk en een statief met een heel lang teleobjectief omdat het wild een flinke afstand tot je zal bewaren. De beste opties voor de dierenfotograaf zijn vaak de auto of een privéterrein. Aangezien veel dieren gewend zijn aan auto’s (sommige parken zijn zelfs met de auto te bezoeken), kan je auto fungeren als mobiele en comfortabele schuilhut. De auto maskeert je menselijke contouren, geur en bewegingen. Dieren als reeën, weidevogels en vossen beschouwen auto’s vaak niet als bedreiging en wagen zich soms heel dichtbij. Je kunt ook vragen of je je schuiltentje tijdelijk mag opzetten langs een slootje op het (privé)land van een landbouwer of veehouder. Daar sta je helemaal alleen en heb je de natuur voor jezelf.

Parken, weilanden en groenstroken in steden bieden – door hun open karakter – meer mogelijkheden voor het fotograferen van dieren dan tuinen. Op deze plekken leeft verbazend veel wild dat ook nog eens redelijk gewend is aan mensen. Door hun publieke karakter zijn deze locaties helaas minder geschikt om er lange tijd ongestoord te kunnen werken. Kies dus de rustige tijdstippen uit voor je shoot. Wees ook voorbereid op vragen. In deze tijden van terreurdreiging kan het gebeuren dat de politie vraagt wat je aan het doen bent. Of wantrouwende ouders in de buurt van speelplaatsen. Antwoord rustig en beleefd en leg uit wat je doet. Laat desnoods wat resultaten zien om de argwaan weg te nemen.

Macro- en landschapsfotografen hebben het iets makkelijker. Zij vallen minder op omdat ze geen extreme teleobjectieven hoeven te gebruiken en hun onderwerpen lopen niet weg. Toch zijn ook zij gebonden aan de openingstijden en de wandelpaden van natuurgebieden. Als landschapsfotograaf ben je vooral op zoek naar de mooiste locaties en het beste licht. Locaties kun je vooral vinden door altijd en overal je ogen open te houden. Wanneer je naar locaties zoekt op internet of in de ansichtkaarten-carrousel van de lokale VVV, maar ook tijdens een fietstochtje met het gezin of een weekendje weg. Je kunt tegenwoordig perfect uitzoeken uit welke richting het zonlicht komt met behulp van speciale apps zoals Photographer’s Ephemeris en de diverse functies van Google Maps. Toch zul je ook met al die kennis nog wel eens verkeerd gokken, want de kwaliteit van het licht blijft variabel door de invloed van bewolking en het weer. Regelmatig het veld ingaan blijft dus een voorwaarde voor succes.

Foto: Stan83

Gouden uur

De mooiste landschaps- en dierenfoto’s maak je tijdens de gouden uren. Dit is de periode na zonsopgang en voor zonsondergang waarop de zonlicht zacht, amberkleurig en diffuus is en een warme gloed op je onderwerp projecteert. De lengte en intensiteit van de gouden uren variëren gedurende het jaar. Bovendien spelen bewolking en locatie een rol. Bewolking tempert de lichtintensiteit en fungeert als een softfilter. Locaties aan het water werken het best tijdens de gouden uren. Het water reflecteert het gouden licht op je foto. Een mooi effect als je je onderwerp als silhouet tegen de achtergrond wilt laten afsteken.

Apparatuur

Dieren fotograferen betekent vaak lang wachten en anticiperen op snelle, onverwachte actie die hooguit een paar seconden duurt. Dat moment vangen lukt het beste met een spiegelreflex met een snel autofocussysteem. Wat ook belangrijk is: voldoende instelknoppen om snel diafragma, belichtingscorrectie en scherpstelgebied te veranderen, plus een continutransport van minstens 5 bps. Omdat veel wild bovendien pas actief wordt in de ochtend- of avondschemering, werk je liefst met lichtsterke objectieven.

Het brandpunt hangt af van welke dieren je wilt fotograferen en hoe dichtbij je kunt komen. Om vogels beeldvullend in beeld te brengen heb je een 500 of 600 mm nodig, met eventueel een teleconverter. Voor close-ups van zoogdieren geldt hetzelfde. Wil je een dier in z’n natuurlijke omgeving laten zien, dan kun je al uit de voeten met een middellang teleobjectief van 70 tot 300 mm. Als je erg dichtbij kunt komen of een afstandsbediening gebruikt, is zelfs een groothoek mogelijk. De meeste dierenfotografen zweren bij drie lenzen: een flexibele middellange telezoom van 70-200 of 70-300 mm, een 300 of 400 mm voor overzichtsfoto’s en een 500 mm voor portretten en vogelfotografie.

Bij teleobjectieven kun je kiezen tussen zooms en objectieven met een vast brandpunt (‘primes’). Beide hebben hun voor- en nadelen. Met een zoomobjectief kun je in- en uitzoomen (en dus je compositie aanpassen zonder dat je je fysiek hoeft te verplaatsen). Dat kan een groot voordeel zijn als je onderwerp erg schuw en schrikachtig is of als je in een schuilhut zit.

Primes kunnen niet zoomen. Hun grote voordeel is dat ze in de regel scherpere beelden opleveren, iets sneller scherpstellen en vaak lichtsterker zijn dan de meeste zooms. Met name tijdens de lichtarme omstandigheden waarin de meeste zoogdieren actief zijn is dit vaak het verschil tussen een scherpe en een bewogen foto. Een 300 of 400 mm F 4 is vaak redelijk te betalen en goed te combineren met een teleconverter. Teleconverters doen weliswaar een aanslag op je sluitertijd en beeldscherpte, maar voorkomen dat je een extra lens moet aanschaffen. Veel fotografen gebruiken ze als noodoplossing wanneer een onderwerp net te ver weg is. 

Foto: Bert Veerman

Veel van de hierboven genoemde zaken gelden zowel voor wildlife- als macrofotografie. De grootste verschillen zijn dat je bij macro veel dichter bij je onderwerp fotografeert, dat dit onderwerp vaak maar een paar millimeter groot is en dat de scherptediepte daardoor minimaal is. Je hoeft je dus niet te verstoppen of je onderwerp te besluipen, maar scherpstellen en belichten luisteren daarentegen ontzettend nauw. Verder stelt macrofotografie geen extreme eisen aan je materiaal. Iedere spiegelreflex voldoet in principe. Zelfs met een moderne compactcamera of smartphone kun je tegenwoordig al fraaie resultaten behalen voor online gebruik. Een camera met live view is niet noodzakelijk, maar wel handig. Je ziet precies wat je op je foto krijgt en je kunt – door in te zoomen op het beeld op je lcd-scherm – heel precies scherpstellen. Je kunt uiteraard investeren in een macro-objectief. Maar veel kitlenzen en telezooms hebben ook een heel korte minimale scherpstelafstand of zelfs een speciale macrostand en zijn dus ook redelijk geschikt voor close-ups. Twijfel je over een macro-objectief? Overweeg dan eerst de aanschaf van een setje tussenringen voor je bestaande objectief. Tussenringen zijn holle ringen (zonder glas) die je tussen je objectief en je camera plaatst. De ringen werken als een loep en brengen je onderwerp (veel) groter in beeld!

Duur niet per se goed

Belangrijke tip: je verbetert je resultaten niet door een duur teleobjectief met een zo groot mogelijke brandpuntsafstand te kopen. Een supertele van 600 tot 800 mm brengt je onderwerp weliswaar een stuk dichterbij, maar het is geen toverstafje. De lengte, logheid en het gewicht van zo’n objectief maken je veel minder mobiel in het veld. Bovendien kost het vaak erg veel tijd om een lang en zwaar objectief goed te leren gebruiken. Zo’n objectief verleidt je dan om van grote afstand te fotograferen. Dikke kans dus dat je in het begin teleurgesteld wordt met onscherpe foto’s die intimiteit en warmte missen. Met een iets minder lang objectief van 300 of 400 mm (veel fabrikanten maken bovendien kwalitatief prima 70-300 of 100-400 mm zooms!) houd je het langer vol om door het veld te lopen. Het gebrek aan vergroting zul je dan moeten compenseren met creatief en geduldig gebruik van licht, compositie en kleur. En wees eerlijk: daar draait het tenslotte toch allemaal om?

Statief

Iets waarin je als macro-, landschaps- én dierenfotograaf wel absoluut moet investeren is een statief! Omdat je bij macro van heel dichtbij piepkleine dingen fotografeert, kan elke millimeter die je voor- of achteruit beweegt je onderwerp uit focus plaatsen. Je camera moet dus doodstil en rotsvast staan. Bij dierenfotografie geldt dat lange objectieven elke beweging meedogenloos uitvergroten. Bij weinig licht is succesvol uit de hand fotograferen vrijwel onmogelijk en ben je dus ook op een statief aangewezen. Bij macro- en landschapsfotografie werk je bovendien vrijwel altijd met langere sluitertijden dan je denkt (zelfs als er voldoende licht lijkt te zijn). Als je bijvoorbeeld de kop van een lieveheersbeestje of een heel landschap van voor tot achter haarscherp wilt weergeven, moet je een klein diafragma kiezen en dat zorgt voor een langere sluitertijd. Gevolg: bewegingsonscherpte omdat je de camera nooit zolang in je handen kunt stilhouden. Als je geen groot statief wilt meesjouwen kan een ministatief of een rijstzak goede diensten bewijzen. Voor dierenfotografie waarbij je veel door het veld loopt, is een eenbeenstatief een goed compromis. Niet zo stevig als een driepoot of een rijstzak, maar een stuk beter dan los uit de hand schieten. 

Foto: Ampel

Instellingen

Vaak wordt gevraagd naar de beste camera-instellingen voor natuurfotografie. Uiteraard is daar niet één antwoord op geven, omdat die verschillen per situatie en onderwerp. Wil je bij een dierenportret het dier scherp laten afsteken tegen een wazige achtergrond? Fotografeer dan in de diafragmavoorkeuzestand. Kies de grootste diafragma-opening (laag f-getal) die je objectief toestaat en laat de camera de correcte belichting uitrekenen. Zo leg je de nadruk op je onderwerp en wordt de achtergrond onscherp en dus rustiger weergegeven. Wil je een dier als onderdeel van z’n omgeving weergeven? Fotografeer dan alsof je een landschap vastlegt en kies een kleiner diafragma (hoger f-getal) zodat een groot deel van je foto scherp wordt. Is het schemerig of komen actieve dieren onscherp op de foto? Verhoog dan de iso-waarde (de lichtgevoeligheid van de beeldchip). De meeste moderne camera’s leveren nog prima resultaten bij iso 1600 of 3200. Bij hogere waarden holt de kwaliteit achteruit.

Een van de grootste diensten die je jezelf als dierenfotograaf kunt bewijzen, is je camera blind leren bedienen. Ofwel, je kunt de belangrijkste camera-instellingen veranderen zonder je oog van de zoeker te halen. Denk aan het aanpassen van het scherpstelpunt, de iso-waarde, de transportstand en de belichtingscompensatie. Dat zal in het begin niet meevallen, maar met vallen en opstaan zullen je resultaten spectaculair verbeteren. Door je camera intuïtief te leren bedienen, zul je veel minder actiemomenten missen én beter opletten welke instellingen je hebt geselecteerd. Je wordt dus letterlijk een betere en bewustere fotograaf.

Voor landschappen zijn een lage iso-waarde (voor weinig beeldruis, volle kleuren en zoveel mogelijk details) vaak geen probleem. Het landschap loopt niet weg en met een statief kun je prima langere sluitertijden en kleine diafragma’s tot F 16 of hoger gebruiken. Pas wel op met het indrukken van de ontspanknop. Een draadontspanner (of de zelfontspanner) kan helpen om bewegingsonscherpte te voorkomen. Op pagina XX lees je een uitgebreid artikel over landschapsfotografie vol andere praktijktips!

Voor macrofotografie heb je een zo klein mogelijk diafragma nodig vanwege de piepkleine scherptediepte en de kleine onderwerpen. Door loodrecht op het onderwerp te fotograferen (vooral bij libellen, vlinders en grotere insecten) maak je het jezelf makkelijk en zal het dier grotendeels scherp op de foto komen, maar die techniek verveelt snel en geeft meestal niet de fraaiste resultaten. Je bent dus aangewezen op een creatieve invalshoek, een werkbare compositie én een klein diafragma. Met hulplicht en reflectors kun je wat extra licht op je model schijnen, maar de kleine scherptediepte blijft. Kies dus voor een iso-waarde tussen de 100 en 800 en een diafragma van F 16 of hoger. Blijf met name bij macro experimenteren met je standpunt, compositie en beeldhoek. Een centimeter naar voren of achteren kan echt een wereld van verschil maken!

Foto: Haroldvanwunnik

Maak het jezelf makkelijk

Om te oefenen met de uitdagingen van wildlifefotografie kun je het best huisdieren en dieren in dierentuinen fotograferen. Niet bepaald een natuurlijke setting, maar wel heel leerzaam. Je kunt composities en beeldhoeken uitproberen en de afstand tot je onderwerp leren bepalen. Het is een prima manier om te leren anticiperen en te reageren op dierengedrag en de grenzen van je apparatuur te leren kennen. Liefhebbers van echte wilde dieren kunnen het best een patatje gaan eten in de stad. Veel duiven, spreeuwen, meeuwen, mussen en zelfs reigers pikken namelijk graag een frietje mee! Is het je wel eens opgevallen dat veel van deze dieren buiten de stad nauwelijks herkenbaar te fotograferen zijn vanwege hun schuwheid? Maak dus van de nood een deugd en zoek de plekken op waar vogels aan mensen gewend zijn en zich gewillig laten fotograferen. Zoek de handtamme eekhoorns in parken, nestelende reigers en roeken bij marktpleinen en poserende meeuwen in havens. Maak van fotogenieke stadsgrachtbewoners als meerkoeten, waterhoentjes en futen extreme close-ups met je teleobjectief. Of gooi zelfs je groothoek in de strijd voor een verrassend intiem portret!

Nabewerking

Hanteer altijd het standpunt dat je foto’s in principe al goed uit de camera moeten komen. Want hoe goed je ook bent in photoshoppen: van een slechte foto maak je eigenlijk nooit meer een goede. Beoordeel je foto’s op een paar zaken. Staat de horizon recht? Is er wat extra scherpte nodig? Is de kleurbalans goed? Moet de belichting iets lichter of donkerder en kan ik het beeld sterker maken door een andere beelduitsnede?

Sommige landschapsfotografen gebruiken graag digitale kleurfilters, dat is een smaakkwestie. Pas ermee op, want de resultaten worden al snel te gelikt of zelfs ronduit nep. Filters op je objectief geven een natuurlijker effect. Voor dierenfotografie zijn filters niet nodig.

Er zijn twee ingrijpende nabewerkingen die wel effectief kunnen zijn in natuurfotografie. De eerste is foto’s met veel contrast en details omzetten in zwart-wit. Dat kan een artistiek en sterk grafisch effect hebben en in sommige situaties veel krachtiger werken dan de kleurenvariant. De tweede is het belichtingstrapje (ook wel bracketing genoemd). Dat is een stand op je camera waarbij een serie foto’s wordt gemaakt met telkens een iets andere belichtingstijd. Soms is het verschil tussen de lichte en donkere gebieden in een scène namelijk te groot voor de camerasensor en worden delen van de foto onderbelicht of overbelicht. En dat wil je niet. In Photoshop kun je die verschillend belichte foto’s vervolgens samenvoegen tot één nieuwe foto waar geen onderbelichte of overbelichte delen meer te zien zijn. De perfect belichte foto! Tip: pas bracketing toe in de diafragmavoorkeuzestand (A of Av stand). Op deze manier is de scherptediepte hetzelfde in alle foto’s.

Natuurfotografie is een veelzijdige vorm van fotografie. Je kunt zelfs na tientallen jaren in het veld nog nieuwe dingen ontdekken, vastleggen en leren. Blijf je simpelweg verbazen over de veelzijdigheid van de landschappen, dieren en planten om ons heen en zoek elke keer weer naar nieuwe invalshoeken en benaderingen. Veel plezier in het veld en veel succes met ontdekken!


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

5 tips voor het fotograferen aan de kust

Fotograferen in het donker: zo maakt Niels Dam een HDR-foto