in

Altijd de juiste instellingen voor je foto’s: beheers het licht

De basics op het gebied van belichting zijn waarschijnlijk een overbekend verhaal. Toch is het nuttig om even vlug langs de voornaamste punten te lopen, als geheugensteuntje én om ertoe bij te dragen dat je in lastige situaties snel de juiste beslissingen neemt.

Dit artikel komt uit de volledige Cursus Camerabeheersing in Zoom Academy. Alles leren over je camera en wil je alle functies optimaal benutten? Bekijk de gehele cursus!

Aan de hoeveelheid licht waarmee je werkt, kun je op het moment zelf meestal weinig veranderen (tenzij je met kunstlicht fotografeert). Met behulp van drie variabelen – diafragma, sluitertijd en iso-waarde – stem je de helderheid van het sensorbeeld zo goed mogelijk op die hoeveelheid licht af. Dit noemen we de belichting.

Belichtingsdriehoek

Je kunt die drie variabelen zelf instellen of dit (deels) door je camera laten doen. Maar in alle gevallen is het handig om te weten wat deze drie ‘lichtregelaars’ doen. Want als een van deze variabelen verandert, moet bij de andere waarden óók iets veranderen om de belichting in balans te houden. Anders wordt de foto namelijk lichter of donkerder. Daarom wordt dit drietal de ‘belichtingsdriehoek’ genoemd.

Deze drie waarden bepalen samen de belichting van je foto.

Afgezien van de belichting heeft elke variabele ook invloed op andere aspecten van het beeld. Hieronder de verschillende instellingen en hun voornaamste kenmerken in een notendop.

Diafragma

Het diafragma bevindt zich in het objectief van je camera. Het is een verstelbare opening die de hoeveelheid licht regelt die op de sensor valt. Meestal in stapjes en soms traploos, met name bij objectieven die speciaal voor video zijn ontworpen. De grootte van die opening wordt uitgedrukt in een diafragmawaarde (ook wel F-getal). Je komt verschillende notaties tegen: F 2,8 of f/2,8 of 1:2,8. Wij gebruiken de eerste schrijfwijze. Hoe groter de opening van het diafragma, hoe meer licht op de sensor valt. Maar omdat het een breukgetal betreft (waarbij ‘f’ de brandpuntsafstand aanduidt), staat een hoog F-getal juist voor een kleine opening die weinig licht binnenlaat.

Behalve de hoeveelheid licht regelt het diafragma ook de scherptediepte. Hoe kleiner de lensopening, hoe verder die voor en achter het scherpstelpunt doorloopt. In de praktijk mag je daar echter geen wonderen van verwachten. Een handige vuistregel is dat bij elke verdubbeling van de diafragmawaarde de scherptediepte eveneens verdubbelt.

Zo ziet een diafragma eruit. Links met een kleinere opening dan rechts.

Boven de scherptediepte bij diafragma F 11, onder bij F 2,8. (c) Raymond Harper

Sluitertijd

De tweede regelaar in de belichtingsdriehoek is de sluitertijd of belichtingstijd. Als het diafragma de lichtkraan is, dan regelt de sluitertijd hoelang die kraan openstaat. Bij bewegende onderwerpen bepaalt de sluitertijd of die onderwerpen met bewegingsonscherpte worden afgebeeld of juist haarscherp worden ‘bevroren’. Zoals eerder is gebleken, is een beetje bewegingsonscherpte meestal niet erg, en in sommige gevallen zelfs een pre.

Door de sluitertijd van 1/800 seconde is de beweging bijna volledig bevroren, op de vleugelpunten en wat waterdruppels na.

Ad van Zutphen (advanzutphen)
Nikon D810 · ISO 200 · F 5,6 · 1/800 SEC · 185 MM

Belichtingsmodus

Het spreekt vanzelf dat bij een macrofoto vanaf statief meestal de scherptediepte de doorslag geeft, terwijl de prioriteit van een sportfotograaf ligt bij de sluitertijd. Daarom beschikken camera’s over verschillende belichtingsmodi. In de A- of Av-stand (diafragmavoorkeuze) stel jij de gewenste diafragmawaarde in, en past de camera de sluitertijd aan naargelang de hoeveelheid licht. In de Tv- of S-stand (sluitertijdvoorkeuze) is het precies andersom: jij bepaalt de sluitertijd en de camera kiest de bijpassende diafragmawaarde. Een weetje: als je altijd de kortst mogelijke sluitertijd wilt, kun je beter diafragmavoorkeuze selecteren en de laagste diafragmawaarde instellen. Zo ben je, ongeacht de hoeveelheid licht, altijd verzekerd van de kortste sluitertijd bij een specifieke iso-waarde.

Je kunt ook de balans tussen sluitertijd en diafragma aan de camera overlaten. Met name onder sterk wisselende lichtomstandigheden kan dit een goede optie zijn. In deze programma- of P-stand kun je trouwens vaak die balans beïnvloeden via de eerdergenoemde optie ‘program shift’.

Histogram

Wat een correcte belichting is, bepaal je bij voorkeur aan de hand van het histogram. Daarin worden de verschillende helderheden in de foto grafisch weergegeven, van donker (links) naar licht (rechts). Een uitschieter helemaal aan de linker- of rechterkant wijst erop dat de donkerste schaduwen of helderste hooglichten buiten de boot vallen.

Wil je de belichting bijsturen? Daarvoor kun je in de meeste modi een belichtingscorrectie instellen, plus (lichter) of min (donkerder). Dit gebeurt in zogenaamde stops, waarbij elke stop staat voor een verdubbeling of halvering van de hoeveelheid licht. Vaak wordt de Engelse term Exposure Value (EV) gebruikt. Je ziet het effect van zo’n correctie terug in het histogram. Een alternatief is de belichting helemaal met de hand instellen, eveneens aan de hand van het histogram.

Op de meeste camera’s kun je met de Display-knop het histogram tevoorschijn toveren.

Bij een belichtingscorrectie van +2 stops wordt de foto lichter. Dit heb je bijvoorbeeld nodig bij sneeuw, om te voorkomen dat die grijs wordt in plaats van wit. Elke lichtmeter is namelijk geijkt op gemiddeld grijs.

Iso-waarde

Het is je vast opgevallen dat we de derde variabele van de belichtingsdriehoek nog niet hebben genoemd. Dat heeft een reden, want de iso-waarde is een geval apart. Kort door de bocht is dat de troefkaart die je inzet wanneer je eigenlijk te weinig licht hebt om een correct belichte foto te maken. Door de iso-waarde te verhogen, verhoog je de lichtgevoeligheid van de sensor. Of juister gezegd: versterk je het sensorsignaal. Daar hangt echter een prijskaartje aan, in de vorm van extra ruis en verminderde detaillering. Daar gaan we straks uitvoerig op in.

Interessant voor nu is dat je ook de gevoeligheid automatisch kunt laten bijstellen door de camera om veranderingen in de hoeveelheid licht op te vangen. Zo houd je meer controle over sluitertijd én diafragma, bijvoorbeeld om te voorkomen dat die sluitertijd een bepaalde ondergrens overschrijdt. Bij veel camera’s heet dit de auto-iso-stand, die in combinatie met diverse belichtingsmodi gebruikt kan worden. Bij andere heeft deze modus een eigen benaming, zoals TAv-stand bij Pentax.

Lichtmeetmethodes

Om de optimale belichting te bepalen, meet de camera het licht. Spiegelreflexen gebruiken hier een aparte sensor voor; bij systeemcamera’s en in de live-view-modus gebeurt dit direct op de beeldsensor.

Het licht meten kan op verschillende manieren. Tegenwoordig gebruiken de meeste camera’s standaard een methode waarbij verschillende delen van het beeld worden gemeten en geanalyseerd. De uitkomsten van deze analyse worden vergeleken met informatie in een ingebouwde databank. Op basis daarvan bepaalt de camera hoe zwaar elk deel moet meewegen bij de totale belichting. Deze intelligente meetmethode staat doorgaans bekend als meervlaks- of meerveldsmeting. Nikon noemt dit matrixmeting, Sony multi-patroonmeting en Canon evaluatieve meting.

Doordat de camera op een database met duizenden praktijkvoorbeelden kan teruggrijpen, geeft die meervlaksmeting in moeilijke lichtsituaties vaak verrassend goede resultaten. Nadeel is dat de afwegingen die de camera maakt, voor de gebruiker doorgaans lastig te volgen zijn. Daardoor kun je nauwelijks anticiperen op die enkele keer dat de meervlaksmeting toch de mist ingaat. Bovendien stel jij mogelijk andere prioriteiten dan de camera. Een andere lichtmeetmethode geeft dan beter voorspelbare en misschien ook betere resultaten.

Vanouds werd het licht gemeten over het hele beeld, wat integraalmeting heet. Omdat het onderwerp zich op veel foto’s min of meer in het midden van het beeld bevindt, werd een variant ontwikkeld die daarmee rekening houdt. Deze staat bekend als centrumgerichte, centrumgewogen of middengewogen meting (‘center weighted’).

Ook kun je situaties tegenkomen waarin een relatief klein onderwerp allesbepalend voor de belichting moet zijn. Denk aan een muzikant op een relatief donker podium, met achter hem of haar felle spots die af en toe oplichten. Om te voorkomen dat zulke ‘stoorzenders’ de lichtmeting van de wijs brengen, kun je beter de meting beperken tot een heel klein deel van het beeld: spotmeting. Bij spiegelreflexcamera’s is dit een cirkel in het midden van de zoeker, maar bij systeemcamera’s kan deze spotmeting ook gekoppeld worden aan de actieve autofocussensor(en). Omdat (pop)muzikanten nogal beweeglijk zijn, is het verstandig om de belichting te vergrendelen met de AE-lock-knop. Wat (zeker bij serieopnamen) vaak nóg beter werkt, is een meting op het gezicht te doen en de belichting eenmalig in te stellen met de hand. Maak eventueel een proefopname. Zolang de muzikant niet te veel naar voren of achteren beweegt en de frontale verlichting min of meer gelijk blijft, zit je meestal goed.

Sommige camera’s hebben nog een lichtmeetmethode tussen centrumgerichte meting en spotmeting in, die deelmeting wordt genoemd.

Dit zijn de standaard icoontjes voor de lichtmeting: meerveldsmeting, centrumgerichte meting, spotmeting.

Fotograferen met tegenlicht, hier in de vorm van spotlights, is lastig. Zeker als de muzikant ook veel beweegt.

René Moorman (renemoorman)
Nikon D750 · ISO 3200 · F 6,3 · 1/160 SEC · 38 MM

Zoom Academy

Dit artikel komt uit de volledige Cursus Camerabeheersing in Zoom Academy. Alles leren over je camera en alle functies optimaal benutten? Bekijk de gehele cursus!

Zo leer je onder andere:

  • Alles over de techniek van je toestel
  • Je kennis te vergroten en mooiere foto’s te maken
  • Het toepassen van de technieken in de praktijk

Bekijk hier de volledige Cursus Camerabeheersing.


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Onzichtbare schoonheid – De wind vangen

Dit waren de mooiste foto’s van augustus 2022