in

Zet het zonlicht naar je hand: Portretten bij natuurlijk licht

Naast dat buiten fotograferen heerlijk is, heb je enorm veel mogelijkheden om de prachtigste portretfoto’s te maken. Het licht, en daarmee de verlichting van je model, is in de buitenlucht wel sterk afhankelijk van de situatie. Waar moet je op letten en hoe pak je dit het beste aan?

Bij portretfotografie denken we al snel aan een studioportret met kunstlicht. Maar dat is natuurlijk geen verplicht nummer! Buiten de studio heb je veel meer variatiemogelijkheden qua omgeving en achtergrond. Daar staat tegenover dat je niet (bijna) alles onder controle hebt. Dat geldt met name voor het licht. Maar zoals we verderop laten zien, valt daar wel een mouw aan te passen. 

Naar buiten

Je begint natuurlijk met een model en een locatie die bij dat model past. Neem jouw model vooral mee naar een leuke plaats of stad, of zoek de vrije natuur op als je dat liever doet. Op een mooie stek aangekomen? Let allereerst op hoe het licht daar valt. Kijk naar de lichtval op jouw model en schat vervolgens in hoe dit zich verhoudt tot de omgeving.

De stand van de zon

De richting en de intensiteit van het licht buiten zijn ook afhankelijk van het seizoen. In de zomermaanden komt de zon veel hoger aan de hemel dan in de wintermaanden. In de zomer is het licht harder en komt het meer van boven. Dit kan lelijke schaduwen in het gezicht geven als je mensen fotografeert en het levert grote contrasten op.

Op een bewolkte dag werkt de bewolking als een soort doek waar het licht doorheen moet, wat het licht veel zachter maakt. Het wolkendek zorgt er ook voor dat het licht veel meer kanten opgaat. Het is als het ware een natuurlijke verzachter; er zijn ook nauwelijks schaduwen zichtbaar. In de winter komen dit soort bewolkte dagen vaker voor. Het licht komt midden op de dag dan ook wat meer vanaf de zijkant. Natuurlijk maakt de tijd van de dag eveneens veel verschil. Rond zonsopkomst en zonsondergang staat de zon laag en heb je zachter licht.

Foto: Eliane00

Staat jouw model beschut in de schaduw, terwijl de zon op de gevels of de bossen op de achtergrond brandt? Dat geeft een groot contrast. Voorkom dat jouw model in een donkere schim verandert, bijvoorbeeld door met behulp van de belichtingscompensatie één of twee stops over te belichten. Zo komt het model goed belicht en herkenbaar op de foto. De achtergrond wordt nu wel extra licht. Als je die laat vervagen via een kleinere scherptediepte (groot diafragma, dus laag F-getal), gebruik je dat effect als sfeerelement en steekt jouw model extra goed af.

Andersom kan ook. Het model staat goed in het licht, terwijl het landschap of een straatje op de achtergrond minder licht vangt. Ditmaal belicht je korter, om te voorkomen dat het gezicht of een lichtgekleurd kledingstuk overbelicht raakt. De achtergrond wordt hierdoor nog donkerder. Ook nu trekt je model alle aandacht naar zich toe.

Jouw camera helpt

Het is best lastig om in te schatten hoe het licht op een locatie is. Schakel live-view in en je weet meteen hoe jouw camera de wereld ziet. Afhankelijk van het beeld onderneem je actie. Op een systeemcamera kun je ook de elektronische zoeker gebruiken in plaats van het scherm.

Ook het histogram is een onmisbaar hulpmiddel. Vaak moet je het eerst even aanzetten via een knop of in het menu. Overbelichting herken je aan een sterke opeenhoping van pieken tegen de rechterzijde, terwijl onderbelichting op de loer ligt als dit uiterst links gebeurt. Nog makkelijker is het als tegelijkertijd de overbelichte fotodelen knipperen. Ook dat kun je vaak in de instellingen van je camera aangeven.

Beoordeel een histogram altijd in combinatie met het beeld zelf. Een beetje overbelichting of onderbelichting op de achtergrond is meestal geen probleem, maar je wilt wel dat je model optimaal belicht is. 

Foto: Rianna Neuteboom

TIP
Schaduw-selfies

Met de zon in de rug is het met name bij een laagstaande zon (lange schaduwen) oppassen dat je eigen schaduw niet over het model valt, waardoor je buitenportret onbedoeld ook een zelfportret wordt. Anderzijds kun je bij close-ups je eigen schaduw gebruiken om keihard direct zonlicht af te schermen.

Uit de zon

Een eerste impuls is vaak om een model pal in het zonlicht te zetten. Voor een portretfoto is dit niet altijd ideaal. Want kijkt iemand tegen de zon in, dan moet hij of zij de ogen tot spleetjes knijpen om nog iets te kunnen zien. En omdat de zon nu eenmaal boven ons staat, ontstaan schaduwplekken bij de ogen en onder de neus en kin. Oneffenheden vallen extra op door het zonlicht en de schaduwwerking. Dat staat natuurlijk minder fraai in je foto! Dus schijnt de zon, zoek dan liever een schaduwplek op. De ogen van je model openen zich en de pupillen zijn groter en beter te zien. Dankzij het zachte schaduwlicht vallen eventuele oneffenheden in iemands gezicht eveneens minder op.

Op een zonnige dag is in de schaduw meer dan voldoende licht aanwezig. Zoek bijvoorbeeld een zijstraat of binnenplein op, of gebruik een afdak, poort of het halletje achter een voordeur. In een park of bos is een beschutte open plek ideaal. Dankzij de opening boven je hoofd is er veel zacht, indirect licht. Daarmee maak je prachtige portretfoto’s, zolang de zon maar niet rechtstreeks op je model schijnt. Pas binnen de bebouwde kom op met gekleurde overkappingen. Onder een oranje parasol of zonwering krijg je een zeer sterke kleurzweem die je nagenoeg niet kunt herstellen.

Op een bewolkte dag heb je dat afdakje als het ware altijd bij je: het wolkendek. Dat maakt het licht heerlijk zacht. Dat geeft je veel meer mogelijkheden om portretfoto’s te maken op een locatie naar keuze.

Foto: DNF-Style

Sprankelende tegenlichtfoto’s

Je gebruikt het zonlicht alsnog in je voordeel door met tegenlicht te werken. Dit gaat vooral goed als de zon flink wat lager staat. Het zogenaamde gouden uur – dus de periode direct na zonsopkomst en pal voor zonsondergang – is hier perfect voor. In de winter staat de zon in ons land een flink stuk lager aan de hemel. Dus trek er vanaf het najaar vooral eerder op uit om foto’s te maken. Het licht is dan aanzienlijk zachter en warmer dan in de zomermaanden.

Laat je dit lage licht vanaf achter je model komen, dan wordt hij of zij als het ware in een warme gloed verpakt en licht het haar prachtig op. Ook nu belicht je zodanig dat je model goed herkenbaar op de foto komt. Hier is een ruimere belichting voor nodig dan je camera standaard kiest. Eventueel schakel je hier een andere lichtmeetmethode voor in, zoals centrummeting of spotmeting. De felle achtergrond wordt dan minder of helemaal niet meegenomen in de berekening van de belichting.

Foto: Jacqueline Uiterloo

Model met tegenlicht

Fotografeer je een model, dan kan tegenlicht zoals gezegd voor een prachtige gloed in het haar zorgen en de contouren van kleding accentueren. Maar het model zelf komt op dat moment niet optimaal belicht op de foto. Bij sterk tegenlicht kan een model zelfs een silhouet worden. Je kunt ervoor kiezen om een iets andere positie in te nemen, en de zon bijvoorbeeld wat meer schuin van de zijkant te laten komen. Maar dan nog valt het licht slechts gedeeltelijk op je model. Je kunt hem of haar immers niet helemaal omdraaien, want dan ben je het tegenlicht kwijt.

Bij zulke hoge contrasten heb je iets nodig om licht op de schaduwzijde te laten vallen. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld met een reportageflitser of een studioflitser op accu. Hiermee licht je de voorzijde van het model net voldoende op, terwijl je nog steeds optimaal van het tegenlicht profiteert. Door dit invullicht ontstaan vaak ook mooie ‘catchlights’: twinkelingen in de ogen van het model. Een flitser heeft ongeveer de kleurtemperatuur van daglicht. Staat de zon laag en is het licht inmiddels een stuk warmer geworden, dan kan een oranje kleurgel het flitslicht een beetje opwarmen. Zo blijven de kleuren goed in balans.

Heb je geen flitser of reflectiescherm bij je, dan zijn in de omgeving gelukkig ook vaak hulpmiddelen te vinden. Zoek naar iets als een muur, bestelbus, schutting of rotswand met een lichte kleur, liefst wit of neutraal grijs. Zo’n object weerkaatst verrassend veel licht, vooral als de zon flink schijnt.

Foto: Bloempje76

TIP
De juiste kleuren

Kleurzwemen zijn niet altijd gewenst. De kleurtemperatuur van daglicht kan afhankelijk van jaargetijde, tijdstip en weertype sterk variëren. Als je in raw fotografeert, kun je de kleurtemperatuur achteraf instellen. Maak een proefopname met een grijskaart of kleurenkaart, zodat je een ijkpunt hebt voor de kleurweergave.

Kleurzweem

Zodra je tegen het licht in fotografeert, ontstaat vrijwel zeker overstraling (‘flare’) doordat de zon op de voorzijde van het objectief schijnt. Vaak neemt dit verschijnsel de vorm aan van gekleurde vlekken. Plaats deze gekleurde vlekken op een handige plek in beeld door de stand van de camera of je eigen standpunt lichtjes te variëren.

Ook ontstaat regelmatig een kleurenwaas. Een deel van het beeld kleurt bijvoorbeeld oranje doordat het zonlicht langs het lensoppervlak strijkt. Kleurzwemen geven je foto’s een dromerige, mysterieuze en romantische uitstraling. Ook nu is het weer de kunst dit fenomeen een mooi plekje in de foto te geven. 

Foto: Mirna

Strijklicht

Laat het zonlicht ook eens vanuit een hoek op je model vallen. Zolang de zon niet hoog aan de hemel staat, ontstaat strijklicht. Eén zijde van je model vangt direct zonlicht, terwijl de andere zijde grotendeels in de schaduw blijft. Hiermee breng je contrast aan en ontstaat meer dieptewerking. Strijklicht is harder licht. Je ziet reliëf en detaillering aan de verlichte zijde, terwijl de schaduwzijde vlakker verlicht is of grotendeels verborgen blijft. Door te spelen met licht en schaduw maak je een spannende foto om naar te kijken.

Het is belangrijk dat je model precies de juiste positie inneemt, maar ook dat jijzelf op de goede plek staat. Geef je model daarom continu aanwijzingen hoe hij of zij het lichaam of het hoofd moet draaien, en beweeg ondertussen ook zelf langs je model. Let hierbij op hoe de lichtval en de schaduwwerking verandert. Een minieme beweging van jou of je model kan een wereld van verschil geven!

Wat pose betreft, kun je het model vragen een bepaalde richting op te kijken of het hoofd iets te draaien of te kantelen. Hetzelfde kan met het lichaam, zodat de lichtval en bijbehorende schaduwwerking op het lichaam anders kan zijn dan die op het gezicht. Je kunt dus eindeloos variëren. Bijvoorbeeld door het licht over één kant van het gezicht te laten strijken, terwijl de andere zijde samen met de schouders en de hals in de schaduw blijft. Dat geeft een heel ander beeld dan wanneer het licht op de volledige zijde van het lichaam valt.


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

De top 10 mooiste fotolocaties in Frankrijk

Stralend blauw: alles over het fotograferen in het blauwe uurtje