in

Insecten fotograferen: kleine beestjes groot in beeld

In dit artikel nemen we je mee in de wereld van het kleine en verborgene: die van de insecten. Ze zijn er in allerlei soorten, vormen en kleuren. Grote en vervaarlijk ogende kevers, bontgekleurde vlinders en als helikopters vliegende libellen. Als fotograaf raak je op deze prachtige kleine juweeltjes uit de natuur niet uitgekeken!

Op aarde leven maar liefst één miljoen soorten insecten. Ze komen op alle continenten voor en zitten dan ook overal, zelfs op 6000 meter hoogte in de Himalaya. In Nederland moeten we het met een kleiner aantal soorten doen – ongeveer 20.000 –, maar nog steeds meer dan genoeg om jarenlang je fotohobby op uit te oefenen. En wie weet fotografeer je op een gegeven moment zelfs een nieuwe soort – hoe gaaf zou dat zijn! Wetenschappers verwachten namelijk dat ongeveer twee miljoen soorten nog niet ontdekt zijn.

De variatie in insecten is bijzonder groot. Ze hebben vaak een heel eigen levenswijze, en zelfs binnen een soortgroep zoals wespen en bijen vind je zeer variabel gedrag. De bekendste soortgroepen zijn die van de juffers en libellen, vliegen, kevers, hommels, bijen, wespen, sprinkhanen en vlinders. Velen rekenen ook nog de spinnen daarbij, maar dat zijn eigenlijk geen insecten: ze hebben acht poten terwijl insecten er zes hebben. Spinnen behoren samen met insecten en onder meer kreeftachtigen en duizendpotigen tot de geleedpotigen. Vaak worden ze wel in boeken samen besproken, en ook in dit artikel belichten we een stukje van de fotografie van deze fotogenieke (en voor sommigen onder ons) enge dieren.

Waar vind je insecten in het algemeen?

Zodra de eerste boerenkrokussen en sneeuwklokjes tevoorschijn zijn gekomen, zien we ook al de eerste insecten rondvliegen. Vooral bijen zijn er dan vroeg bij om op zoek te gaan naar nectar. Maar zodra het voorjaar echt op gang is gekomen en er weer volop planten bloeien, barst het helemaal los in de insectenwereld. Als je allerlei verschillende insecten wilt gaan fotograferen, is een stukje natuur met veel bloeiende planten de ‘place to be’. Veel insecten zijn namelijk op zoek naar voedsel met veel calorieën, en dat vinden ze bij planten in de vorm van nectar. En die planten maken gebruik van bloemen in felle kleuren om er maar geen misverstand over te laten bestaan dat die insecten juist bij hen moeten zijn. Schreeuwende kleuren in geel, rood en paars, want daar val je mee op. Eigenlijk een beetje vergelijkbaar met de fastfoodketens die ons langs de wegen lokken voor een hamburger of een milkshake! Veel planten en gewassen – zo’n 70-80 procent – zijn voor de bestuiving en voortplanting afhankelijk van die kleine kruipers en vliegers. En in ruil voor het transport van stuifmeel krijgen de insecten dan het calorierijke nectar te eten. Zo heeft iedereen profijt van elkaar!

Veel leuke en fotogenieke insecten vind je dan ook in behoorlijke aantallen tussen en op planten. Denk dan aan vlinders, bijen en hommels, zweefvliegen en allerlei kevertjes. Maar ook veel sprinkhanensoorten vind je in weidegebiedjes. Vaak zie je ze pas als ze wegspringen, omdat ze goed gecamoufleerd zijn en opgaan in hun leefomgeving. Houd goed in de gaten op welk grassprietje of stengeltje ze terechtkomen, en loop (of liever kruip) dan zo rustig mogelijk, met de camera in de aanslag, naar die plek om het insect te kunnen fotograferen.

Vlinders

Vlinders behoren tot onze favoriete modellen. De zomer is een prima periode om je met vlinderfotografie bezig te houden, omdat het dan de vliegtijd is van de meeste vlindersoorten. Op de site van de Vlinderstichting (www.vlinderstichting.nl) staan de verwachte vliegtijden per soort vermeld. Tevens staan hier ook vlinderrijke gebieden in Nederland aangegeven.

Waarom spreken vlinders zo tot de verbeelding? Wellicht door hun fraaie kleuren en hun feeërieke manier van vliegen, en misschien ook als symbool van de liefde en als voorbode van de lente. Hoe dan ook: vlinders zijn populair, ook bij natuurfotografen. Maar hoe krijg je deze levendige wezens goed voor de lens? Veel vlinders overnachten dicht bij de grond, hangend aan een bloem, bladeren of gras. De beste tijd om vlinders te fotograferen is heel vroeg, vlak na zonsopkomst, en voor zonsondergang. In de ochtend zijn de vlinders nog niet opgewarmd en zitten ze soms ook helemaal onder de dauw. Op dat moment kunnen ze nog niet vliegen en is het licht vaak ook mooi. Zodra ze echter zijn opgewarmd, is het haast ondoenlijk om ze nog voor de lens te krijgen. Ze zijn dan zeer actief, vliegen continu en blijven vaak maar even zitten. Maar tegen de avond zoeken ze weer hun slaapplek op en zijn ze weer beter benaderbaar.

Nu is maar één exemplaar van een vlinder zien te vinden op diens slaapplek wel wat lastig, maar er zijn diverse soorten die in groepsverband overnachten. Optimale weersomstandigheden zijn een dagtemperatuur van zo’n 20-25 graden en een nachttemperatuur tussen de 10 en de 15 graden. Bij warmere nachten zullen de vlinders eerder opgewarmd zijn. Bij ongeveer 17/18 graden zijn ze al wat ‘vliegerig’ en zullen ze er eerder vandoor gaan. Ook vochtige nachten zijn ideaal, om dan de vlinder in de ochtend te fotograferen. De dauw op de vlinder maakt ze nóg fotogenieker en zorgt er tevens voor dat de vlinder langer blijft zitten. De vlinder moet dan namelijk wachten met vliegen totdat de zon de dauw op de vleugels heeft laten verdampen. Zodra dit gebeurd is, kiezen ze meestal meteen het luchtruim.

Libellen en juffers

Onder insectenfotografen behoren ook libellen en juffers tot de meest populaire insecten, en dat is niet vreemd. Ze laten zich goed zien door hun actieve gedrag wanneer ze boven het water jagen op zoek naar hun prooi: andere insecten. En ze zijn vaak mooi gekleurd en hebben met hun grote facetogen een bijzonder fotogeniek uiterlijk. Het zijn eigenlijk wel de ET’s onder de insecten. De wat grotere libellen houden hun vier vleugels gespreid, en de juffers – als ze op een stengel zitten – meestal langs het lichaam gevouwen. Als de temperatuur boven de 17 graden is, vliegen ze de meeste tijd en zitten ze vaak maar even stil. Daarnaast zijn ze – op een stengel zittend – wat makkelijker te verstoren als je te dichtbij komt en vliegen ze dan vaak weg. Onmogelijk is het niet om ze dan van voldoende dichtbij te fotograferen, maar wel wat lastiger.

Maar net als vlinders hebben libellen en juffers een slaapplek, en die bevindt zich vaak in de vegetatie van oeverranden van vennen en slootjes. Vaak zitten ze ook met een aantal bij elkaar, en zolang ze nog niet opgewarmd zijn, is dat een ideaal moment om ze te fotograferen. Want net als vlinders blijven ze namelijk rustig zitten, zodat je ze op allerlei manieren kunt fotograferen.

Kevers

Een van de meest bekende insectengroepen is wel die van de kevers. Ze leven over de hele wereld, en alleen in de poolstreken en de zee vind je ze niet. Ze zijn over het algemeen bolvormig met relatief korte antennes. Een eigenschap die ze allemaal delen, is hun sterke bepantsering die bestaat uit een dikke chitinehuid. De voorste vleugels zijn hiervoor omgevormd tot dit pantser, dat het kwetsbare lichaam bedekt en beschermt. Die bepantsering heeft wel een nadeel: kevers zijn in tegenstelling tot veel andere insecten trage vliegers. De meikever vliegt maar 8 kilometer per uur, terwijl bepaalde vlinders wel 50 kilometer per uur halen.

In België en Nederland leven ongeveer 4200 kevers, zowel op het land als in het water. Keuze genoeg dus indien je nog een model in de natuur zoekt. Ver van huis hoef je dan echt niet, want in iedere tuin waar wat planten in staan, vind je wel kevers. Het meest opvallend zijn de lieveheersbeestjes, die vaak in de omgeving van bloeiende planten te vinden zijn. Maar ga je op je knieën tussen de planten, dan zul je zeker ook nog andere soorten aantreffen. Wat saai zwart of grijs getinte soorten moeten het van hun markante vorm of vervaarlijke uiterlijk hebben. Weer andere soorten hebben een opvallende, metaalachtige glans en zijn prachtig gekleurd. Vooral als ze sterk iriseren, zijn ze een lust voor het oog. Bepaalde soorten die sterk opvallen, zijn giftig, zoals het bladhaantje.

Naast het speuren in bloemenrijke weiden kun je het ook wat lager bij de grond zoeken. Met name in bosgebied met open stukken waar men oud hout laat liggen, zijn weer andere keversoorten te vinden. Veel kevers zie je niet direct: die zitten wat meer verstopt onder rottende houten stammen die je aantreft op de bosbodem. Een goede methode om wat meer kevers te vinden, is zulke stukken hout om te draaien. Naast veel andere insecten en zelfs hagedissen zul je hieronder ook kevers aantreffen. Met name de verschillende loopkevers, en daar zitten hele mooie soorten bij.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld vlinders en libellen trekken de meeste kevers zich helemaal niets van ons fotografen aan als we voor hun neus op de grond gaan liggen. Kevers die te midden van planten en op bloemen leven, zijn wel wat makkelijker te fotograferen. Soorten als het lieveheersbeestje of soldaatje bewegen vaak wat traag heen en weer langs de stengel of op een bloem, en zijn dan ook wat makkelijker in beeld te brengen.

Vliegen, wespen, bijen en hommels

Uitdagend om te fotograferen zijn de altijd actieve insecten als vliegen en bijen. De laatste kun je nog het beste fotograferen als ze van bloem tot bloem vliegen. Dat gaat in een ongelooflijk tempo. Het is daarom het handigst om je camera op te stellen bij een mooie bloem en dan te wachten tot de bij deze komt bezoeken. Dat kan even duren, maar de bij komt echt wel, en dan is het simpelweg de ontspanknop indrukken voor een paar mooie foto’s. Ook lukt het met deze methode wel om ze in de vlucht, net voor de bloem, te fotograferen.

Wespen zijn eveneens buitengewoon fotogeniek in hun zwart-gele outfit, maar niet iedereen is er dol op vanwege het gevaar te worden gestoken. Wil je ze toch fotograferen, dan kun je ze het beste lokken op een terrastafeltje in de tuin waarop je wat rottend fruit hebt neergelegd. Binnen een mum van tijd verschijnen ze in groten getale en doen ze zich tegoed aan het eten. Dat is het moment om ze eens rustig en uitgebreid te fotograferen!

Spinnen

Spinnen heb je in allerlei soorten en maten, van kleine, bijna voor het oog onzichtbare dwergen tot grotere soorten als de kruisspin en wespenspin. Deze laatste twee zijn ook wel het makkelijkst te fotograferen omdat ze altijd in een web hangen en wachten totdat er een prooi in terechtkomt. Ideaal, want ze lopen niet weg… totdat je per ongeluk tegen het web stoot. Want dan zoeken ze even een schuilplaats onder een blad op, om even later weer terug te keren in het web.

De springspinnen behoren tot een andere groep. Ze zijn minder bekend maar bijzonder fotogeniek. Ze zijn wel wat kleiner en lastiger te ontdekken omdat ze geen web hebben. Ze doen hun naam eer aan en bespringen hun prooi. Door hun acht ogen hebben ze een beter zicht dan andere spinnen. Ze zitten vaak op zonbeschenen plekken zoals muurtjes en oude roestige containers. Benader ze heel voorzichtig –in slow motion – en je zult zien dat je ze dan van heel dichtbij kunt fotograferen.

Instellingen van de camera

Als je hebt besloten wat je wilt fotograferen, komt vervolgens het hoe om de hoek kijken. Een veelgebruikte stand op de camera bij insectenfotografie is diafragmavoorkeuze oftewel Av. Bij deze stand kies je zelf een diafragma en zoekt de camera daar vervolgens de passende sluitertijd bij. Zo kun je snel onder wisselende lichtomstandigheden fotograferen.

Vroeger fotografeerde men veelal vanaf statief, maar dat is lang niet altijd meer nodig. Bij de moderne camera’s kun je prima met hogere iso-waarden werken terwijl de kwaliteit van het beeld dan nog zonder meer goed is. Daardoor zijn kortere sluitertijden mogelijk, die je nodig hebt om je eigen bewegingen op te vangen. Ook zijn diverse objectieven en sommige camerabody’s uitgerust met beeldstabilisatie, die ook weer trillingen tegengaat die tot onscherpte zouden kunnen leiden. Het voordeel van uit de hand werken is dat je veel sneller rondom het onderwerp kunt bewegen, en daardoor sneller mooiere composities kunt vinden. Daarnaast leidt geschuif van statiefpoten in een veld tussen de vegetatie tot meer onrust bij insecten. Ook is de kans aanwezig dat je net dat sprietje aanstoot waar dat prachtig gekleurde kevertje op zit, waardoor je model ervandoor gaat.

De autofocus staat meestal ingesteld op één AF-sensor, zodat je deze tussen de grassprietjes door beter kunt richten op het insect. Dit werkt veel sneller dan handmatig scherpstellen: iets waar je met beweeglijke insecten lang niet altijd de tijd voor hebt.

Apparatuur en accessoires

Wil je in eerste instantie niet te veel geld uitgeven aan een macro-objectief, dan kun je voor je standaardzoomlens ook een voorzetlens in verschillende (dioptrie)sterktes kopen. Zodra je zo’n voorzetlens op je objectief hebt zitten, kun je dichterbij fotograferen. Des te hoger de dioptriesterkte, des te dichterbij je kunt! Nadelen zijn er ook: het werkgebied is maar klein, bijvoorbeeld van 35 tot 55 centimeter, en de scherpte neemt af.

Om al die relatief kleine insecten te kunnen fotograferen, levert een systeemcamera of reflexcamera in combinatie met een macro-objectief het beste resultaat. Met deze objectieven kun je dichterbij fotograferen dan met ‘gewone’ objectieven, en zo kun je kleine insecten meer beeldvullend vastleggen. Ook zijn macro-objectieven zo gemaakt dat ze in het dichtbijgebied een optimale scherpte, kleurweergave en contrast opleveren, en dat zie je terug in een technisch perfect beeld.

Macro-objectieven zijn er in allerlei brandpuntsafstanden. Het voordeligste objectief is de 50 of 60 mm (bij fullframe). Het nadeel van objectieven met deze brandpuntsafstand is dat je wel heel dicht op het onderwerp moet kruipen. Daardoor zijn ze minder geschikt om bijvoorbeeld libellen en vlinders te fotograferen, omdat die dan eerder zullen wegvliegen. Het meest gebruikt, en ook nog voor een redelijk bedrag te koop, zijn macro-objectieven met een brandpuntsafstand van rond de 100 mm. Bij gebruik van zo’n objectief is de afstand van camera tot onderwerp groter. Zo kun je beter schichtige insecten fotograferen, omdat deze zich door de grotere afstand minder snel bedreigd zullen voelen. Ook worden de voor- en achtergrond vager weergegeven, wat minder de aandacht afleidt van het hoofdonderwerp. Dit komt de foto ten goede. Bij wat grotere libellen- en vlindersoorten is het ook mogelijk om een telezoomobjectief, bijvoorbeeld een 70-300 mm of 80-400 mm, te gebruiken. Met name als de minimale scherpstelafstand pakweg één of anderhalve meter bedraagt. Prima om bijvoorbeeld een grotere vlinder zoals de koninginnenpage voldoende groot in beeld te brengen.

Soms kom je tijdens het fotograferen van insecten licht tekort. Dan biedt de ingebouwde flitser waar veel cameramodellen mee zijn uitgerust uitkomst. Aangezien je meestal toch dichtbij fotografeert, is het bereik van zo’n ingebouwde flitser ruim voldoende. Pas wel op dat de zonnekap niet een deel van het flitslicht tegenhoudt, en haal ’m eraf zodra je een schaduw aan de onderkant van het beeld bemerkt. Een externe flitser geeft wat meer mogelijkheden. Denk dan aan allerlei diffusorkappen die je erop kunt monteren, en de mogelijkheid om de flitser bijvoorbeeld achter het onderwerp neer te leggen om net even een andere lichtval te creëren.

Als je een statief gebruikt, heb je voor insectenfotografie niet een heel zwaar statief nodig. Omdat je wel vaak heel laag bij de grond werkt, is het goed om te letten op de laagste stand van het statief. Bij sommige modellen kan de middenzuil eruit worden gehaald, om zodoende de poten in horizontale positie te kunnen zetten. Bij weer andere modellen kan de middenzuil overdwars worden gekanteld, waardoor je eveneens met de statiefpoten in horizontale positie heel laag boven de grond kunt fotograferen. Ministatieven kunnen ook voldoen, al zijn ze lang niet allemaal degelijk genoeg. Vooral de statiefkop heeft bij veel modellen de neiging om langzaam omlaag te zakken nadat je hem hebt ‘vastgezet’. Gelukkig zijn er gunstige uitzonderingen. De Leofoto Pocket Mini MT 01 met balhoofd LH-25 is daar een voorbeeld van.

Met veel compactcamera’s kun je ook heel dichtbij fotograferen, vaak wel tot een paar centimeter voor de lens. Meestal kan dat alleen in de groothoekstand, waardoor je een grote scherptediepte hebt. Prima te gebruiken als je het insect in zijn leefomgeving wilt laten zien. Voor foto’s van een insect met veel onscherpte in voor- en achtergrond zijn compactcamera’s in het algemeen minder geschikt.

De gladiator van het bos

Tot slot besteden we aandacht aan een paar soorten die extra de moeite waard zijn. Op slechts een paar plekken in Nederland en België leeft een heel bijzonder insect: het vliegend hert (Lucanus cervus). Vanwege zijn fotogenieke uitstraling en imposante voorkomen staat deze soort hoog op de verlanglijst van macrofotografen. maar slechts weinigen zullen ’m ooit in het echt gezien hebben. Vandaar dat we deze keversoort extra in het spotlicht zetten.

Het vliegend hert is een van de grootste keversoorten van Europa, met een indrukwekkend formaat en een wat prehistorisch uiterlijk. De kever dankt zijn naam aan de enorme uitgegroeide kaken, die enigszins doen denken aan het gewei van een hert. Alleen de mannetjes zijn hiermee uitgerust. De mannelijke dieren kunnen meer dan 9 centimeter groot worden en zijn echte reuzen in de insectenwereld. De vrouwtjes zijn wat kleiner en worden tussen de 3 en 5 centimeter groot. De kevers zijn roodbruin van kleur met een zwarte kop, en leven in oude eikenbossen. Tijdens de eerste warme dagen in juni zijn de kevers te fotograferen, want dan is het paartijd voor het vliegend hert, en deze duurt maar een paar weken. In de namiddag en vroege avond worden de kevers dan actief, mits het in de avond nog steeds behaaglijk warm is (zo rond de 20 graden). De mannetjes zijn slechte vliegers door hun grote kaken en vliegen wat onbeholpen, met hun lichaam schuin, door de lucht. Het vrouwtje heeft kleine, krachtige kaken, waarmee ze een wond bijt in het eikenschors waar vervolgens sap uit stroomt. De mannelijke dieren, die zij gelokt heeft met feromonen in haar uitwerpselen, kunnen met hun grote kaken niet eten en zijn voor voedsel derhalve aangewezen op deze sapstromen. Ze lopen over het algemeen wat traag op de boomstam heen en weer of blijven bewegingloos zitten. Ideale modellen voor de fotograaf! Probeer als ze stilzitten verschillende hoeken en standpunten uit.

Klein maar fijn!

Dat je niet altijd van die reuzen onder de insecten zoals het vliegend hert nodig hebt, bewijst het springstaartje. Dit minibeestje is maar een paar millimeter groot, en sommige soorten zijn met het blote oog bijna niet zichtbaar. Maar als je eenmaal je macro-objectief – in combinatie met tussenringen – erop hebt gericht, ben je verkocht, want ze zijn buitengewoon fotogeniek door hun bijzondere uiterlijk. Die tussenringen zijn nodig om ze van nog dichterbij te kunnen fotograferen aangezien de springstaart zo klein is. Een andere mogelijkheid is om de Raynox MSN 202 Super Macro Close-Up-lens te combineren met je objectief.

Overigens is het springstaartje net als de spin geen insect. Het leuke is dat ze dichterbij zijn dan je denkt. Ze leven namelijk in de bovenste bladlaag in de tuin of in potten op het terras. Sommige soorten zijn geel en andere zijn bijvoorbeeld uitgerust met een streepjesoutfit. Leuk zijn ze zeker!


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Fotograferen in de zomer: met je camera de natuur in doe je zo

Fotowedstrijd de opdracht: Festival