in

In 10 stappen naar betere natuurfoto’s: oog voor natuur

Na druilerige en grauwe maanden breekt de lente aan. De eerste bloemen steken hun kopjes boven de grond, bomen tooien zich voorzichtig met nieuw blad en er zoemen weer insecten rond. Hoe leg je die overvloed aan kleur en actie in de natuur het beste vast? Wij vertellen het je in tien stappen!

Stap 1) Bepaal je onderwerp

Begin bij het begin: bepaal wat je wilt fotograferen. Je kunt onmogelijk alle voorjaarsactie in een paar weken vastleggen. Bovendien mis je specifieke kansen door doelloos op pad te gaan en je te laten verrassen door wat je tegenkomt. Natuurlijk heb je soms geluk en loop je toevallig tegen een geweldige foto aan, maar door doelgericht op zoek te gaan vergroot je je kansen enorm. Door je in een specifiek onderwerp vast te bijten, merk je bovendien al snel dat je je creativiteit beter gaat benutten en dat je jezelf uitdaagt om steeds betere foto’s te maken.

Door het veranderende klimaat is het lastig te voorspellen welke onderwerpen je in de maanden maart en april zult tegenkomen. Afhankelijk van vorst en sneeuw in februari of begin maart kan de natuur zomaar weer in slaap sukkelen en komt de lente later op gang. Wanneer de zachte winter doorzet, kunnen lentetaferelen juist verrassend vroeg zijn. Blijf als fotograaf dan ook goed om je heen kijken en houd de ontwikkelingen in de natuur dagelijks bij. Gebruik je eigen waarnemingen, maar ook sites als waarneming.nl en beleefdelente.nl.

Specifieke lente-onderwerpen zijn: vogels in hun broedkleed en terugkerende trekvogels, de paddentrek, ontluikende weide- en bosbloemen, bomen in fris groen blad, vroeg bloeiende bomen zoals kers, wilg en krentenboom, bloeiende bolplanten in de tuin zoals narcis, krokus, tulp en hyacint, de eerste insecten zoals kleurige vlinders en – het lentebeeld bij uitstek – lammetjes in de wei. Jonge wilde zoogdieren worden ook verspreid over maart en april geboren, maar zijn vaak moeilijk te zien omdat ze verborgen worden gehouden (zoals ree- en hertenkalfjes) of in een hol verblijven (vos, konijn, eekhoorn). In landschappelijk opzicht zijn bossen in deze periode interessant, omdat hun takken langzamerhand weer een groen bladerdek krijgen. Afgezet tegen een bosrand vol bloemen kan dit mooie plaatjes opleveren. Boomgaarden en bollenvelden zijn ook de moeite waard, omdat ze vroeg in bloei staan en garant staan voor kleurige abstracten. Kortom: keus genoeg!

Foto: Djtepas

Stap 2) Bereid je goed voor

Nadat je hebt bepaald welke dieren, planten of landschappen je wilt fotograferen, ga je op zoek naar relevante informatie. Zoek in eerste instantie uit waar je onderwerp te vinden zijn. Wil je vossen fotograferen? Ga dan naar de Amsterdamse Waterleidingduinen of de Oostvaardersplassen. De dieren zijn daar gewend aan mensen en zijn minder schuw, omdat ze er niet worden bejaagd. Bijkomend voordeel is dat ze daardoor ook overdag actief zijn. Als ze jongen hebben, zijn ze bovendien extra in touw. Misschien staat het fotograferen van half-tamme vossen niet garant voor het echte safarigevoel, maar daar staat tegenover dat je wel de kans krijgt om uitgebreid te experimenteren met compositie, lichtinval en beeldhoek zonder dat je onderwerp er meteen vandoor gaat.

Internet is een geweldige informatiebron voor alles wat je wilt weten. Via Google Earth, speciale sites met natuurkalenders, gespecialiseerde online natuurtijdschriften en websites van instanties als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer vind je snel de beste plekken. Denk ook aan sites als birdpix.nl voor inspiratie over vogelfotografie en waarneming.nl om te zien welk dier waar is gezien. Zoek je een schuilhut? Bezoek dan zeker even vogelkijkhut.nl en vind snel de beste kijkhutten in jouw omgeving. Aangezien de site is gekoppeld aan waarneming.nl lees je meteen welke dieren er onlangs zijn gespot. Dat laatste is handig, want veel wild leeft volgens een strak ritme en duikt elke dag op dezelfde tijdstippen op. Ten slotte zijn er tientallen fora en blogs over specifieke soorten natuurfotografie. Ze bieden je onder meer inspirerende foto’s, de beste locaties en lijstjes met praktijktips. Het grote voordeel is dat je ook vragen kunt stellen, mensen met dezelfde passie ontmoet en snel je kennisniveau kunt opkrikken.

Stap 3) Kies je apparatuur

Zoveel onderwerpen, zoveel keus uit apparatuur. Gebruik de apparatuur die bij jouw soort fotografie past. Voor macrofoto’s heb je minder behoefte aan een telelens en als je landschappen fotografeert, hoef je geen camera te kopen die 12 foto’s per seconden kan schieten. De vuistregel is dat je die apparatuur koopt (en meeneemt op je shoot) die je het meest zult gaan gebruiken in het veld. Teveel spullen meenemen zorgt voor veel gewicht, belemmeren je in je bewegingen en zijn vaak onnodig omdat je meestal slechts één voorkeurslens en body gebruikt. Vraag je bovendien af of hoe erg het is als je af en toe een situatie mist, omdat je camera en objectief daarvoor minder geschikt zijn.

Voor dieren kies je een camera en objectief met zoveel mogelijk telebereik. Veel dieren zijn immers klein en schuw, zodat je ze vanaf een aanzienlijke afstand moet fotograferen. Kies dus voor een langere telelens. Minimaal 300 mm voor zoogdieren en 500 à 600 mm voor vogels. Daarnaast kun je het best uit de voeten met een aps-c camera. Deze heeft een kleinere beeldchip die het bereik van je lens nog eens extra vergroot. Als je camera minder ruis heeft bij hogere iso en veel foto’s per seconde kan maken, is dat een bonus.

Landschaps- en macrofotografen zijn vooral gebaat bij een grotere (fullframe) beeldchip voor zoveel mogelijk detail en een groothoek- of macrolens. Landschapsfotografen werken veel met ND-verloopfilters die het contrast tussen lichte en donkere partijen verkleinen en polarisatiefilters waarmee wolkenluchten meer tekening krijgen.

En of je nu dieren of landschappen fotografeert: gebruik een statief. Een statief zorgt meteen voor betere resultaten. Je hebt minder last van bewegingsonscherpte en kunt langere sluitertijden gebruiken. Bovendien dwingt een statief je om de tijd te nemen voor het maken van een foto. Je gaat dus letterlijk langer en beter nadenken over standpunt, compositie en beeldhoek. Wil je geen zwaar driepootstatief meenemen? Denk dan aan lichtere alternatieven als een monopod, een rijstzak of een gorillapod. Stop je spullen in een goede, waterdichte fototas die je probleemloos een paar uur kunt dragen. Zeker in maart en april kan het weer namelijk bliksemsnel omslaan en is je dure apparatuur tenminste veilig opgeborgen.

Foto: Illuminations

Stap 4) Bouw je foto op

We stipten het al even aan: als je het snapshot-niveau wilt ontstijgen, zul je goed over elke natuurfoto moeten nadenken voor je de ontspanknop indrukt. Wanneer je weet waar en hoe je een onderwerp wilt fotograferen, plus welke spullen je daarvoor nodig hebt, kun je een foto vooraf visualiseren. Dit geldt niet alleen voor landschapsfotografen, maar zeker ook voor dierenfotografen!

Bepaal een esthetische compositie volgens de regel van derden. Kortweg komt die erop neer dat je je kader verdeelt in negen even grote vlakken en dat je je onderwerp fotografeert op één van de snijpunten van die vlakken. Links of rechts van het midden van je beeld oogt vaak het fraaist. Maak je een portret van een dier? Geef het dan altijd een beetje ruimte in z’n kijk- of looprichting. Dat geeft je foto een gevoel van vrijheid en leefruimte.

Daarnaast werkt het erg goed om lijnen of vlakken in het landschap in je compositie op te nemen. Deze leiden het oog van de kijkers naar het onderwerp. Deze ‘sturende lijnen’ geven je onderwerp extra nadruk en impact. Zoek bovendien naar interessante schaduwen, patronen, vormen of kleuren die je beeld kunnen versterken. Bedenk ook dat een landschapsfoto vaak sterker wordt als hij is opgebouwd uit verschillende lagen: een interessante voorgrond, een gedetailleerde middensectie en een complementerende achtergrond. Loop dus eerst even rond op je fotolocatie voor je je camera uit de tas pakt en bepaal de beste beeldhoek. Experimenteer en improviseer zoveel je kunt. Kun je landschappen in alle rust opbouwen; voor beweeglijke dieren is dat uiteraard lastiger. Je zult je moeten aanleren om pijlsnel en intuïtief te kaderen bij een goede fotomogelijkheid. Om beter te worden, moet je een zesde zintuig ontwikkelen voor de optimale compositie. Je kunt ook een beetje smokkelen en je foto’s op de computer bijsnijden om de compositie te verbeteren. Houd hier tijdens het fotograferen rekening mee en laat voldoende (snij)ruimte in je foto rondom je onderwerp. Gevoel voor compositie is te leren, maar vereist vaak veel oefening. Kijk dus goed naar het werk van anderen en leer je camera blind te bedienen.

Foto: Ronver1960

Stap 5) Leer het licht zien

Tijdens de lente wint de zon aan kracht en schijnt weer langer en vaker dan in de wintermaanden. De stand van de zon is echter nog steeds niet loodrecht zoals in de zomer. Dat betekent dat je als fotograaf regelmatig wordt getrakteerd op romig en diffuus licht. Ideaal om te experimenteren met lichtval en verschillende lichtomstandigheden.

Sta dus eens een keertje vroeg op en analyseer hoe het licht tijdens die eerste uren van de dag varieert en verandert. Kijk welke lichtinval jou het meest aanspreekt en perfectioneer je techniek in dit specifieke licht. Probeer ook eens wat ‘lichtmagie’ zoals tegenlicht. Dit werkt het best als je een onderwerp met een herkenbaar silhouet fotografeert zoals een hert, een koe of een eik. Zorg dat de zon van achter je onderwerp recht in je lens schijnt en probeer verschillende variaties uit. De wereld zal diep rood, oranje of geel verkleuren met een zwart silhouet. Als je lentebloemen en een waterpartij toevoegt, komen daar ook nog eens prachtige onscherpe vlekken en patronen bij. (Grond)mist zorgt juist voor een diffuus, wazig effect. Controleer of je frontlens vetvrij en schoon is, want vingerafdrukken kunnen je foto verpesten. Ook zijlicht geeft je een compleet andere kijk op je onderwerp. Het versterkt de lichte en donkere partijen en structuren in je foto en heeft dus een sterk grafisch karakter. Ideaal om bijvoorbeeld de haartjes in een dierenvacht of de optrekkende voorjaarsmist boven een opwarmend weiland te benadrukken.

Goed licht moet je leren zien en herkennen. Dat vereist veel ervaring en oefening. In de regel is het licht in maart en april op z’n mooist tot anderhalf uur na zonsopkomst en twee uur voor zonsondergang. Maar ook op een dag met een lichte sluierbewolking kun je prima fotograferen. Kleurige onderwerpen als bloemen, insecten en vogels komen dan juist beter tot hun recht dan op een zonnige dag. Lichte mist zorgt voor vredige pasteltinten, terwijl onheilspellende regenwolken de wisselvalligheid van het voorjaar extra benadrukken. Zorg dus dat je het weerbericht kent voor je op pad gaat.

Tip voor landschapsfotografen en dierenfotografen die vanuit een vaste schuilhut willen werken: download een smartphone-app zoals het zeer uitgebreide Photographer’s Ephemeris en Photoluna (betaald) of gratis varianten als Best Photo Times en PlanIt! De apps tonen de lichtrichting op jouw locatie, zodat je weet wanneer je waar moet zijn om te fotograferen met een specifieke lichtrichting. De apps zeggen uiteraard niets over de lichtkwaliteit …

Ten slotte is het slim om te leren hoe het histogram op je camera werkt en welke informatie het je geeft over een evenwichtige belichting. Het kleine schermpje toont je foto’s namelijk vaak anders dan op een groot computerscherm of in print. Met het histogram weet je of je belichting correct is. Dat levert betere foto’s op en scheelt je veel tijd en frustratie tijdens de nabewerking.

Foto: Jantjewm

Stap 6) Speel met scherpte én onscherpte

Niet alleen scherpte is van belang voor je natuurfoto’s, vooral ook onscherpte. Door bepaalde onderdelen van je foto scherp weer te geven en andere niet, stuur je de blik door je foto naar het onderwerp. Als fotograaf bepaal jij waar de scherpte ligt. Bij dierenfotografie is dat meestal het oog van een dier. Is dat niet scherp, dan geldt de foto in verreweg de meeste gevallen als mislukt. Maar er zijn uitzonderingen. Met een lange sluitertijd kun je de snelheid en dynamiek van een dier weergeven. Denk aan een onscherpe ree die als een roestbruine vlek door een onscherpe zee van groen springt. Het abstracte beeld zegt iets over de leefwereld, het gedrag en het karakter van een dier. Zo’n foto mag dan niet scherp zijn, maar kan wel degelijk een prachtige foto opleveren. Het is erg leuk en leerzaam om te experimenteren met onscherpte en het meetrekken van de camera met een bewegend onderwerp. Zeker in de lente, wanneer veel dieren steeds actiever worden, kun je hier goed mee oefenen.

Nog een tip voor dierenfotografen: controleer constant of de onscherpe achtergrond in je foto’s niet te rommelig of overheersend is ten opzichte van je onderwerp. Chaotische takken, bladeren, lichtvlekken of rode bestelbusjes kunnen je portretfoto van een dier compleet bederven, ook al is het dier zelf keurig scherp. Kies voor een zo groot mogelijk diafragma (klein F-getal) om de achtergrond zo wazig mogelijk te maken. Zak even door de knieën of doe een paar stappen opzij. Je zult zien dat dit je achtergrond compleet verandert en een wereld van verschil maakt voor je foto.

Stap 7) Kies de juiste instellingen

Welke camera-instellingen je kiest, hangt af van tientallen variabelen. Het weer, de lichtintensiteit, de lichtrichting, het onderwerp zelf (licht of donker), de lens, de vlakverdeling in je compositie en ga zo maar door. Toch zijn er wel degelijk richtlijnen te geven. Voor dieren is dat het eerdergenoemde grote diafragma voor wazige achtergronden. Dit diafragma, in combinatie met een iso-waarde tussen de 200 en 800, zorgt voor korte sluitertijden. Zo kun je ook een beweeglijk dier scherp vastleggen. Kies ten slotte voor een autofocusinstelling waarbij je camera constant scherpstelt. Dan hoef je niet telkens als het dier beweegt opnieuw te focussen. Voor warmere kleuren kun je (ook op zonnige dagen) de witbalansinstelling met het wolkje of het beschaduwde huisje nemen. Deze instelling geeft een iets warmere tint aan je onderwerp.

Voor landschappen werkt deze witbalansinstelling vaak ook goed. De rest van de instellingen zijn bij landschapsfotografen anders. Zo kiezen zij meestal voor een klein diafragma (groot F-getal) om zoveel mogelijk van het landschap scherp te krijgen. Omdat ze vrijwel altijd vanaf statief fotograferen, zijn langere sluitertijden minder problematisch. Het onderwerp beweegt immers niet. Kies verder voor een klein diafragma en enkelvoudige autofocus. Kun je een raster of waterpas in het zoekerbeeld projecteren? Doe dit dan. Een rechte horizon is een absolute vereiste voor landschappen.

Foto: Rovinge

Stap 8) Ga op pad met een veldgids

Natuurgidsen zijn toch niet van deze tijd? Je kunt immers alles opzoeken op internet! Waarom zou je een gids meesjouwen in het veld? Simpel: omdat een gids je op locatie snel en eenduidig antwoord geeft op vragen over dieren, planten en bomen. Om de honderd meter uitgebreid met je mobiele telefoon gaan staan zoeken op internet leidt af van het fotograferen en werkt enorm vertragend. Wachten tot je thuis bent is geen optie, omdat je dan waarschijnlijk bent vergeten wat je allemaal wilde opzoeken. Kies dus een handzame veldgids om de eerste determinatie te verrichten. Detailinformatie kun je later thuis op internet opzoeken. Tirion Natuur en de ANWB brengen goede natuurgidsen uit. Capitool biedt zeer uitgebreide en mooi geïllustreerde gidsen aan over planten, paddenstoelen, bomen, insecten, vogels en zoogdieren. De vogelbescherming verkoopt diverse vogelgidsen voor beginners en experts.

Stap 9) Speel met standpunten

Veel fotografen nemen niet de moeite om hun standpunt te variëren. Daardoor krijgen je foto’s telkens dezelfde beeldhoek van bovenaf. Zonde, want simpelweg even door de knieën zakken levert al een totaal ander en vaak opvallender beeld op. Zo’n lager standpunt geeft meestal een grotere dieptewerking. Je krijgt letterlijk een andere kijk op je onderwerp. En dat prikkelt je creativiteit en je veelzijdigheid als fotograaf. Dus daag jezelf dus eens uit en besteed een hele fotosessie aan het fotograferen met afwijkende standpunten. Tip voor maart en april: neem een vuilniszak of ander stuk plastic mee en ga daarop plat op je buik liggen. Wel zo droog en warm als je bijvoorbeeld lentebloemen van onderaf wilt vastleggen.

Stap 10) Heb geduld!

De allerbelangrijkste tip voor natuurfotografie is meteen de moeilijkste: heb geduld. Natuurfotografie betekent veel observeren en omstandigheden die niet perfect zijn. Ga maar na: je locatie is perfect, maar het licht is lelijk. Of je onderwerp werkt niet mee en gaat met z’n kont naar je toe staan. Of er lopen ineens wandelaars in je beeld die de dieren verjagen. Kortom: als natuurfotograaf moet je een lange adem hebben en af en toe niet tot 10, maar tot 10.000 tellen. In sommige gevallen zul je simpelweg moeten wachten totdat de situatie verbetert. In andere gevallen kun je het beste maar naar huis gaan en op een beter moment terugkomen. Bedenk altijd dat thuiskomen zonder geslaagde foto’s helemaal niet erg is. Er is altijd een nieuwe kans en je bent heerlijk buiten in de ontwakende voorjaarsnatuur geweest. Je hebt je zintuigen geprikkeld, je geest verruimd en alle tijd gehad om een nieuwe strategie te bedenken voor die superfoto die je de volgende keer ongetwijfeld gaat maken!


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Fotografie Dilemma: fotografeer jij in de M-stand?

Schilderen met licht: zo maak je een lightpainting foto