in

De perfecte foto: dit zijn de juiste composities voor portretfotografie

Slimme, doordachte keuzes zijn bij het maken van een portret onontbeerlijk. Niet alleen de modelkeuze, maar ook compositie, diafragma, objectiefkeuze en inkadering maken het verschil tussen een gemiddeld portret en een topportret.

Laat jouw foto’s opvallen tussen al die andere platen door een krachtige compositie. Je leert hier alles over in de Cursus Krachtige Composities.

Op het moment dat je met je model op locatie staat, maak je als fotograaf een aantal keuzes. Hoe zorg je ervoor dat niets afleidt van je model en dat de kijker direct naar het model wordt geleid? Hoe voorkom je dat een model vervormd in beeld komt? En hoe leg je de scherpte en onscherpte precies op de juiste plekken?

Technische fase

Allemaal zaken die je regelt in de eerste, technische fase. Het is goed deze fase te scheiden van de tweede: de sociale omgang met je model. Als je namelijk de hele shoot bezig blijft met het instellen en veranderen van de techniek, leidt dat niet alleen tot stress bij jezelf, je model wordt er ook onzeker van. Het credo is dan ook: stel alles wat er in te stellen valt eerst goed in en ga dan pas de interactie aan met je model.

Allereerst is het belangrijk dat je de goede compositie kiest bij het vastleggen van je model. Wil je een portret met context of een puur portret van alleen het gezicht?

Als je de achtergrond mee laat doen, heb je meer met compositiekeuzes te maken. Zo kun je perspectief gebruiken in de achtergrond. Stel je model op in een lange gang en alle lijnen lijken naar het model te lopen. We noemen dit inleidende lijnen. Ze wijzen naar het model, zodat je ook direct die richting opkijkt.

Als je op tv naar het journaal kijkt, zul je de geïnterviewde ook vaak in zo’n lange gang zien staan. De cameraman gebruikt dan inleidende lijnen voor zijn compositie.

Een mooi voorbeeld van een ten voeten uit portret. De kleding van de jongen en de omgeving vertellen een verhaal, dus is het relevant het hele lichaam te tonen.

Foto: Nick Teheux, nickman.zoom.nl
Canon 5D III · ISO 100 ∙ F 5,6 ∙ 1/400 SEC ∙ 38 MM

25 procent

Een andere regel die erg goed werkt bij portretten, is de gulden spiraal. Voor meer uitleg ga je even terug naar de module De compositieregels. Leg je vier van deze spiralen over je beeld, dan heb je vier punten, telkens op 25% van de hoek van het beeld.

Wetenschappers hebben ooit onderzocht dat je oog een beeld het eerste op deze plekken scant. Bij een portret kun je dus het best de ogen of (bij een ruimer portret) het gezicht van je model op deze punten leggen. Als je dit goed doet, heb je aan de andere kant van het beeld ruimte over om iets op de achtergrond te plaatsen.

De ogen en mond van dit portret lopen over de lijnen van de compositieregel van de gulden snede.

Foto: Maaike Kampert, (maaikekampert)
Canon 5D III · ISO 500 ∙ F 2,8 ∙ 1/800 SEC ∙ 135 MM

Hulplijnen op je camera

In je cameramenu zit meestal de optie om een grid aan te zetten. Op een deel van de camera’s kun je hierbij ook andere grids kiezen dan alleen de regel van derden. Kijk in de gebruiksaanwijzing of zoek op Google even over welke opties jouw camera allemaal beschikt.

Driehoeksverhouding

Bij een portret zonder context zijn de mogelijkheden wat beperkter. Vaak kun je dan werken met geometrische vormen. De driehoeksverhouding in een gezicht is daar een goed voorbeeld van. De ogen en mond vormen samen die driehoek. Als kijker is het prettig een geometrische vorm te vinden in het beeld. Dat kan ook een vierkant of cirkel zijn. Zoek er bewust naar als je een close-up-portret maakt. De vorm kun je ook creëren door een accessoire te gebruiken, bijvoorbeeld een hoed of sjaal.

Bij een close-up kun je ook de symmetrie accentueren. Je hebt al twee ogen, waardoor het beeld algauw enige symmetrie vertoont. Als je dit aanzet door de haardracht aan twee kanten hetzelfde te houden, de handen op dezelfde manier te plaatsen en het model recht in de camera te laten kijken, is je symmetrische plaatje compleet.

Gesloten en open kader

Zijdelings verbonden met de compositie is de uitsnede van een portret. Bij een portret met achtergrond kies je vaak voor een totaal of half totaal beeld. Op een totaaluitsnede staan zowel hoofd als voeten, een half totaal begint boven de heupen. Deze uitsneden gebruik je vooral als je een modisch of weids beeld wilt maken, waarin alles van de persoon zichtbaar moet zijn.

Als je dichterbij gaat werken, krijg je een ander effect. Je kruipt letterlijk en figuurlijk op de huid, waardoor je foto intiemer wordt. Het karakter van een persoon is beter te zien als je alleen een gezicht in beeld brengt.

Bij een close-up komt er weer een andere keuze om de hoek kijken. Houd ik het kader gesloten of maak ik het open? Bij een gesloten kader sluit je het gezicht op door de randen van het beeld. Aan alle kanten van het gezicht zit dus ruimte. Meestal is het mooi om bij een close portret de ruimte aan alle kanten min of meer gelijk te houden. Probeer om niet maar een halve millimeter ruimte over te houden; de inkadering lijkt dan wat willekeurig. Kies voor een duidelijk gesloten kader óf trek het kader volledig open.

Door het gesloten kader lijkt dit meisje op te gaan in haar omgeving, het herfstbos.

Foto: Cindy Pronk, (cinnerp)
Canon 5D III · ISO 640 ∙ F 2 ∙ 1/400 SEC ∙ 38 MM

Bij de open variant snijd je delen van het gezicht aan. Dat kan aan de onderkant zijn, maar op gevoel zie je direct dat snijden in hals of kin er vaak wat vreemd uitziet. Aansnijden van het voorhoofd van een persoon is een betere keuze. Je kruipt daarmee bovendien nog dichter op de persoon. Ook heb je minder last van randzaken in de achtergrond zoals brandslangen, ramen en stoelleuningen. Je beeld wordt cleaner, de impact van de ogen groter.

Probeer eens hoever je kunt gaan, ook aan de zijkanten kun je soms nog prima snijden. De vraag is: wanneer is het te veel? Je zult zien dat je best ver kunt gaan voordat je echt iets gaat missen.

Hier is een open kader gecreëerd door de bovenkant van het hoofd aan te snijden en de doek rechts werkt ook nog eens mee. Dat levert een spannend kader op.

Foto: Rosalie Van den Kerckhove, (rose-78)
Canon 400D · ISO 400 ∙ F 4,5 ∙ 1/160 SEC ∙ 50 MM

Standpunt

De volgende keuze die je maakt is het standpunt. Verreweg de meeste portretten worden gemaakt vanaf ooghoogte van het model. Zo creëer je gelijkheid en intimiteit. Maar soms is het beter een andere hoogte aan te houden. Bij een portret van bovenaf kijk je letterlijk neer op de persoon. Dit kan goed werken, maar de persoon lijkt ook kleiner en minder belangrijk.

Het tegenovergestelde geldt voor het standpunt van onderaf. Je kijkt tegen de persoon op, hij lijkt groter en belangrijker. In films wordt dit standpunt vaak gebruikt bij superhelden als Rambo en Mr. Bean. Een belangrijk nadeel van een laag standpunt is de kans op een onderkin.

Maak je een portret in opdracht van je model, dan zul je minder vaak van onderaf fotograferen. Voor filmposters des te meer.

Door het model van boven te fotograferen krijgt het iets kwetsbaars, zeker in combinatie met de blik in de ogen.

Foto: Kaylee van Haften, (kayleesfotografie)
Sony A7 · ISO 200 ∙ F 2,5 ∙ 1/100 SEC ∙ 50 MM

Objectief

Niets zo vervreemdend als een portret dat je maakt met een fisheye-objectief of met een supertelelens. De verhoudingen in het gezicht zijn volledig zoek. Bij een fisheye lijkt de neus ineens megagroot ten opzichte van de oren, bij een supertele lijken de oren tegen de ogen aan gedrukt.

Dit zijn de extremen, maar deze effecten werken – zij het in mindere mate – door bij elke groothoek en heel veel teleobjectieven. Grofweg alle brandpunten onder de 50 mm geven vertekening. Als je met een half-size of aps-c-sensor werkt, is dat onder de 35 mm. De verlengingsfactor is immers 1,5 keer. Daarboven heb je veel minder last van vertekening, totdat je in de extremere telebrandpunten terechtkomt van pakweg boven de 200 mm. Dan vertekent de zijkant van het gezicht, vooral de oren gaan er raar uitzien.

Bottom-line: gebruik een licht teleobjectief voor een zo natuurlijk mogelijke weergave van je model. Veel portretfotografen werken met prime-objectieven van 50, 85 of 105 mm. Bijkomend voordeel van deze objectieven is dat je niet te dicht op je model staat (zoals met een 24 mm) en niet te ver ervandaan (met een 500 mm). Je komt zo niet in het persoonlijke aura van je model, maar hoeft ook niet te schreeuwen om aanwijzingen te geven.

Bij een foto met context kun je beter meer scherptediepte gebruiken zoals hier gedaan is, waardoor alles duidelijk zichtbaar blijft.

Foto: Jessica van der Mark, (jessicavdmark)
Canon 5D II · ISO 250 · F 13 · 1/125 SEC · 70 MM
Model: Maarten Dikkens.

Diafragma

Een belangrijk aspect van elk objectief is de grootste lensopening. Bij een kitlens (het bij de camera geleverde zoomobjectief) zal dit op 70 mm rond de F 4 of zelfs F 5,6 zijn. Een lens met een vast brandpunt heeft soms wel F 1,4 of F 1,2 als grootste opening. Dit scheelt licht en je hebt met F 1,4 veel minder scherptediepte dan met 5,6.

Minder scherptediepte betekent – daar komt-ie weer – dat je het oog van de kijker meer kunt sturen. Wij mensen kijken op een foto namelijk eerst naar het scherpe deel. Als dat de ogen zijn, en de oren zijn onscherp, hebben we het doel bereikt.

Portretten maken we dus vaak met een open diafragma. Meer scherptediepte gebruiken we natuurlijk wel als de achtergrond meedoet in de foto. Als daar het huis of de auto van je model staat, is het raar als dat element onherkenbaar wordt door je open diafragma. Draai in dat geval je lensopening dicht. Blijf kritisch kijken op welk punt iets herkenbaar wordt. Dat is vaak al voor het helemaal scherp is. Ga dus niet van F 4 direct door naar F 22, probeer eerst of F 8 of F 11 ook een bruikbaar resultaat oplevert. Zo speel je met de balans tussen scherpte en herkenbaarheid.

Dit portret is met een open diafragma gefotografeerd.
Er is wel achtergrond aanwezig, maar die leidt niet af door de onscherpte en het krappe kader.

Foto: Ron Haak, (almere01)
Canon 7D · ISO 200 · F 5,6 · 1/250 SEC · 142 MM

Sweet spot

Misschien heb je de neiging om je diafragma volledig open te draaien voor een portret. Dit klinkt logisch, maar houd wel rekening met de sweet spot van je objectief. Bij een volledig open diafragma haalt de lens zijn optimale scherpte niet door zaken als ‘chromatische aberratie’. Bij een volledig gesloten diafragma krijg je weer met ‘diffractie’ te maken. Alleen met een opening tussen deze waardes in bereik je optimale scherpte.

Vuistregel is twee stops diafragmeren, maar je kunt op internet ook de sweet spot van jouw specifieke objectief opzoeken. Gebruik deze waarde dan telkens als je niet per se een bepaalde scherptediepte wilt. Je scherpte is dan altijd optimaal.

Licht en flitslicht

Als eenmaal alles in de camera goed staat ingesteld, gaan we naar de andere omstandigheden kijken. Waar staan we? En meer specifiek, waar komt het licht vandaan? Soms hebben we te dealen met fel zonlicht. Vooral een zon die rechtstreeks op je model schijnt, geeft grote kans op problemen. Allereerst voelt een model zich niet prettig met die prikkende zon en gaat knijpen met de ogen. Daarnaast krijg enorm harde schaduwen op het gezicht.

Maar je kunt de situatie 180 graden omdraaien, letterlijk. Ga aan de andere kant van het model staan en het gezicht zal er egaal verlicht uitzien. Van achteren zorgt haarlicht van de zon voor een mooi effect. Wel zal het contrastverschil tussen zonlicht en gezicht groot zijn. Het gezicht kan daardoor op de foto zwart lijken of het haar overbelicht.

Hef dit verschil op door een invulscherm van voren te gebruiken. Tegenwoordig heb je heel handige varianten met handvatten, die je zelf (of je model) makkelijk kunt vasthouden. Je zult verrast zijn door de verbetering in lichtkwaliteit.

In de meeste gevallen is het trouwens mooier om de zon helemaal te mijden. Schaduwrijk licht is veel zachter en leidt daardoor minder af van waar het echt om gaat: de blik in de ogen van je model. Als je het natuurlijke licht nog effectiever wilt gebruiken, ga dan onder een overkapping staan, bijvoorbeeld een fietsenhok. Het licht komt dan niet meer van alle kanten waardoor er plastische verlichting ontstaat, met veel licht en schaduwwerking in het gezicht.

In de studio kun je het licht nog meer naar je hand zetten. Je gebruikt hiervoor flitsers met ‘lightshapers’. Dit zijn accessoires die de kwaliteit van het licht veranderen en meestal verbeteren. Flitskoppen zijn nogal klein en geven daardoor hard licht. Als je er een softbox of paraplu voor plaatst, verbetert de lichtkwaliteit aanzienlijk. Voordeel van het werken in een studio is het gebrek aan verkeerd vallend licht, het nadeel is dat er geen enkele natuurlijke omgeving of achtergrond aanwezig is. Je zult dus een set moeten bouwen of je moet je beperken tot een close portret.

Het fotograferen in een studio met lichtopstellingen kan heel mooi resultaat opleveren, maar vergt wel wat oefening!

Een mooi voorbeeld hoe mooi je het licht naar je hand kunt zetten in een studio. Model: Cladia Nzeba, mua: Sammy Leitte.

Foto: Henny Sep, (sep)
Canon 5D II · ISO 100 ∙ F 8 ∙ 1/125 SEC ∙ 93 MM

Zoom Academy

Dit artikel komt uit de volledige Cursus Krachtige Composities in Zoom Academy. Hierin leer je allerlei technieken die je kunnen helpen om een krachtige foto te schieten.

Zo leer je onder andere:

  • Alles over het gebruiken van een goede voorgrond
  • De lijnen die je in je compositie kunt gebruiken
  • Hoe je alle klassieke compositieregels toepast
  • Stap voor stap meer zicht krijgen op het samenstellen van composities onder verschillende omstandigheden

Bekijk hier de volledige Cursus Krachtige Composities.


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Omgaan met lastig licht: zo kun je je onderwerp bijlichten

De nabewerking van een sterrenfoto: zo pakt Patrick van den Hoorn het aan